Positie CRI ligt nog steeds gevoelig bij lokale korpsen

De kritiek van de Rekenkamer op de CRI raakt het hele politiebestel. Dat is het punt in een oude, vertrouwde discussie.

AMSTERDAM, 24 SEPT. De Nederlandse FBI. Telkens duikt deze kwalificatie op. En telkens weer worden ze boos bij de CRI, de centrale recherche-informatiedienst. Deze heeft immers geen speciale agenten die dwars door de zaken van hun collega's ter plaatse heenlopen. De CRI wil niet meer en niet minder zijn dan een “uitstekend geoutilleerde centrale dienst voor het verlenen van kwalitatieve specialistische assistentie aan de lokale politie, doch steeds op verzoek en onder verantwoordelijheid van die politie”.

Zo drukte het toenmalige hoofd van de CRI, J. van Straaten, het al uit in 1982. De typerende mengeling van bescheidenheid en pretentie die uit zijn woorden sprak, is precies wat de CRI telkens weer de das om dreigt te doen. Dat gaat overigens al terug tot de oude Onderafdeling Opsporingsbijstand (OOB) die in 1956 de basis vormde voor de CRI van nu.

Ogenschijnlijk is alles wel met de CRI. Sinds Van Straaten nam het aantal medewerkers toe van 300 tot ruim 600 nu. Het werkgebied werd verruimd met pseudokoop en misdaadanalyse, en de CRI verhuisde en passant van een bakstenen kantoorbunker aan de Haagse Raamweg naar glanzende nieuwbouw in Zoetermeer.

Als Nederlands bureau van Interpol is de CRI van oudsher ook een clearing house voor internationale politiecontacten. Met het toenemen van de grensoverschrijdende criminaliteit nam deze rol in betekenis toe. De CRI heeft thans liaison officers gestationeerd bij diverse ambasades in broedplaatsen van buitenlandse misdaad. De vertederende kaartenbakken van de ouderwetse 'informatiecentrales ' zijn allang vervangen door computers.

Toch constateert de Rekenkamer nu dat de informatievoorziening - spil van het hele CRI-werk - ernstige gebreken vertoont. In de onderzochte periode bleek ruim de helft van de gegevens niet te kloppen. De klacht is niet nieuw, maar dat percentage is zelfs voor de CRI wel erg hoog. Vijf jaar geleden schatte een zegsman nog dat vijfentwintig procent van de meldingen in het landelijke opsporingsregister (OPS) dat de CRI bijhoudt, niet klopte.

Een vervuilingspercentage van tien procent is niet ongebruikelijk in databestanden, was de reactie van privacybeschermer Jan Holvast, maar een kwart noemde hij “weerzinwekkend”. Uitzonderlijk is het echter niet. Toen de gemeente Rotterdam in 1993 als eerste grote gemeente overging op het nieuwe landelijke GBA-net voor de elektronische bevolkingsboekhouding, bleek dertig procent van de 'persoonlijsten' niet te kloppen. Zelfs de FBI heeft bij verificatieonderzoeken te kampen gehad met rond de veertig procent dossiers waarmee iets mis was. Foute of onvolledige politiegegevens brengen natuurlijk wel speciale risico's mee voor de rechtsgang.

Het is in elk geval duidelijk waar het aan ligt: het hartelijk gebrek aan medewerking van de korpsen in het land. Ook dit gaat terug tot de OOB uit 1956. Het gebruik van de voorzichte term “onderafdeling” laat zien dat de oprichters zich bewust waren van het risico aanstoot te geven. De reden spruit voort uit de legendarische stammenstrijd om het politiebestel tussen de Haagse departementale bloedgroepen van Justitie en Binnenlandse Zaken. Justitie heeft altijd geklaagd dat de politie, die in wezen steeds lokaal georganiseerd is geweest, onvoldoende aandacht heeft voor haar opsporingsprioriteiten. De vrees in het land was juist dat Justitie met behulp van diensten als de CRI de plaatselijke politie naar zijn hand wil zetten. Dus toch het FBI-effect.

Zo moest het wel misgaan. Al in 1985 kraakte de Rekenkamer het functioneren van de CRI en signaleerde zelfs het gevaar van “een neerwaartse spiraal”. “We kruipen dichter naar onze klant toe”, zei de voorlaatste directeur J. Wilzing na een ingrijpende reorganisatie in 1991. Maar wil die klant dat ook? Dat is de bange vraag gebleven na de ingrijpende reorganisatie van de Nederlandse politie als geheel in 1994 waarbij 25 regiokorpsen werden gevormd. De CRI verhuisde naar het enige korps landelijke politiediensten (en Wilzing verhuisde naar een regiokorps) waar het inmiddels concurrentie heeft gekregen van het landelijk rechercheteam. Deze komt bovenop de interregionale kernteams van de korpsen zelf. Dat zijn allemaal geen stimulansen voor investeringen in een hechte samenwerking met de CRI.

Het beheer over het landelijke korps (en dus de CRI) wordt krachtens het regeerakkoord nu ook nog eens overgeheveld van Justitie naar de erfvijand Binnenlandse Zaken. Het is dan ook de vraag of de kritiek van de Rekenkamer afdoende valt te pareren met de “interne maatregelen” die minister Korthals (Justitie) heeft aangekondigd. Het gaat om de fundamentele verhoudingen binnen de politie in Nederland.