Het studiehuis deugt wel degelijk

Het studiehuis kan op den duur wel degelijk een positieve bijdrage leveren aan de vernieuwing van het middelbaar onderwijs, meent P. Leenheer. De huidige kritiek op het studiehuis is dan ook onterecht en valt te wijten aan zowel de ondeskundigheid van de tegenstanders als aan een nostalgisch verlangen naar vroeger tijden waarin alleen inspirerende leraren voor de klas leken te staan.

In NRC Handelsblad van 17 september zet onderwijspsycholoog Willem Smit uiteen waarom hij het studiehuis maar niks vindt. Zijn betoog onder het epitheton virtuele werkelijkheid is echter eerder van toepassing op de studiehuisdiscussie die de afgelopen weken is losgebrand, dan op het studiehuis zelf. In die discussie komen voornamelijk tegenstanders aan het woord, wier argumenten weinig met de werkelijkheid te maken hebben.

Aangevoerd is onder meer dat vakkennis voortaan een bijproduct is van zelfwerkzaamheid, en dat inzake het studiehuis aan docenten niets is gevraagd. Ook zou in het studiehuis geen plaats zijn voor de bevlogen, inspirerende leraar. Eén stelling suggereert zelfs dat we vroeger allemaal op scholen hebben gezeten vol bevlogen, inspirerende leraren, en dat we bij wijze van spreken blij waren met de enkeling die geen orde kon houden of juist waanzinnig streng was. Zo is het natuurlijk nooit geweest. Hooguit een enkele leraar was bevlogen en inspirerend, en dan nog niet eens dag in dag uit.

De tegenstanders van het studiehuis lijden aan heimwee naar een onderwijs dat nooit bestaan heeft. Op zichzelf is dat niet zo gek. Ieder mens zou willen dat onderwijs voor alle leerlingen leuk en inspirerend is. Maar je moet daarbij wel beseffen dat zo'n school met louter inspirerende leraren een ideaal is, en geen reëel bestaande werkelijkheid. Laat staan iets dat door de vernieuwingen om zeep dreigt te worden geholpen.

In werkelijkheid gaat het erom dat we al jaren op zoek zijn naar een onderwijs dat meer leerlingen kansen geeft, daadwerkelijk rekening houdt met verschillen tussen hen en recht doet aan hun capaciteiten. Leraren met veel hart voor hun leerlingen hebben altijd bestaan, maar als geheel had het onderwijssysteem van bijvoorbeeld zo'n vijftig jaar geleden een hoog 'Bint'-gehalte. School- en studiesuccessen werden toen vooral toegeschreven aan inzet en capaciteiten van leerlingen en studenten. Je kon het of je kon het niet. Vandaar dat in die tijd maar weinig mensen gingen studeren en nog minder het tot het einde toe volhielden.

In de loop van de jaren zestig en zeventig zijn we geleidelijk aan heel anders over onderwijs gaan denken. School- en studiesucces zijn we gaan beschouwen als iets dat mede bepaald wordt door de manier waarop het onderwijs is ingericht. Leraren mochten niet meer alleen goede vakspecialisten zijn, maar moesten ook benul krijgen hoe je leerlingen iets leert.

Tegelijk of misschien in samenhang met die andere visie op onderwijs kreeg ons land, net als andere Westerse landen, in toenemende mate behoefte aan meer hoger opgeleiden. Sindsdien zijn we zwaarder gaan tillen aan uitval van leerlingen en studenten.

In dat kader is een paar jaar geleden onderzocht waardoor de aansluitingsproblemen tussen voortgezet en hoger onderwijs werden veroorzaakt. In de eerste plaats had dat te maken met de lesprogramma's, die niet altijd even goed aansloten (chemici in het Hoger Onderwijs bleken bijvoorbeeld nogal eens dingen bekend te veronderstellen die al jaren geleden uit het eindexamenprogramma van het VWO waren geschrapt), en bovendien aan de kant van het voortgezet onderwijs de nodige up-dating en uitbreiding verdienden.

Ten tweede bleken veel studenten zowel slecht te zijn in studievaardigheden als in planning, papers schrijven en voor zichzelf nagaan of ze iets snapten of niet.

In de afgelopen jaren, zo ruwweg tussen 1994 en 1996, is door deskundigen, en dan vooral mensen uit de dagelijkse praktijk van het onderwijs, een nieuw programma ontwikkeld dat tegemoet komt aan beide problemen.

Eén van de verbazingwekkende dingen is, dat de hele discussie over het studiehuis zich toespitst op de kant van de vaardigheden en dat de inhoudelijke vernieuwingen in de regel volstrekt buiten beschouwing blijven.

Vakkennis, aldus Willem Smit, is voortaan een bijproduct van zelfwerkzaamheid. Die uitspraak is, als je de moeite neemt de examenprogramma's door te nemen, volslagen onzin. Als er al een probleem is, dan is dat dat het programma wat inhoud (kennis) betreft nogal overladen is. De eisen op dit gebied zijn niet lager, maar eerder aanzienlijk hoger geworden. Die toename is overigens een symptoom van het probleem dat het onderwijs in toenemende mate tobt met de vraag wat je in het programma moet stoppen.

Het is prachtig dat kennis in onze informatiemaatschappij zo explosief toeneemt, maar het wordt daardoor natuurlijk wel steeds lastiger te bepalen wat er in het onderwijs aan de orde moet komen.

De ruimte die je daar hebt, wordt vanzelfsprekend relatief kleiner naarmate de hoeveelheid kennis toeneemt. En daarmee neemt het belang om te leren hoe je kennis verwerft omgekeerd evenredig toe. Dat het belang van vaardigheden voor kennisverwerving toeneemt, betekent echter - in tegenstelling tot wat bijvoorbeeld Willem Smit schrijft - niet dat kennis zo ongeveer wordt afgeschaft. Leren hoe je kennis verwerft, kan vanzelfsprekend alleen maar door kennis te verwerven en je daarbij te bezinnen op de manier waarop dat verlopen is.

In menig artikel wordt de leraar in het studiehuis beklaagd. Die dient zich, terwijl zijn status toch al zo dramatisch verminderd is, nu ook nog eens om te scholen tot een administrateur en procesbeheerder die iedere dag maar weer in angstige spanning moet afwachten of zich leerlingen bij hem komen vervoegen met een vraag. Die karikatuur is op zichzelf niet ongeestig, maar heeft voor de rest een iets te groot klok-en-klepelgehalte om een serieuze discussiebijdrage te zijn.

Een niet gering probleem in het onderwijs is dat leraren, uit vriendelijkheid of het gevoel op te moeten schieten vanwege het naderend eindexamen, teveel van het leerproces van de leerlingen overnemen. Ze stellen een vraag en geven nog voordat Jan-Peter of Marieke is uitgedacht, alvast het antwoord. Robert-Jan of Sanneke melden desgevraagd dat ze ergens vastgelopen zijn, en voor je het weet zit de leraar zelf de opgave voor te doen in plaats van de leerlingen te helpen bedenken waardoor ze eigenlijk zijn vastgelopen.

De bedoeling van het studiehuis is nu dat leraren leren om van tijd tot tijd hun mond te houden. Het wordt ze bepaald niet verboden om verhalen te vertellen. Wat van ze gevraagd wordt, is dat ze daarnaast de leerlingen zelf dingen laten ontdekken, goed kijken hoe dat proces verloopt, en daar waar het scheef gaat zo interveniëren dat de leerlingen leren hoe ze het voortaan beter kunnen doen. Begeleiden betekent in dit verband dus allerminst dat een leraar de krant kan gaan zitten lezen in de leraarskamer.

Laat staan dat hij thuis kan gaan zitten wachten tot een leerling met een vraag aan komt zetten. Tegenstanders van het studiehuis doen voorkomen alsof al die moderne, warhoofdige onzin de modale leraar wordt opgedrongen. Maar ook dat is volslagen nonsens.

Als iets kenmerkend is voor de manier waarop het studiehuis is geïntroduceerd, dan is het dat van begin af aan scholen, docenten en zelfs leerlingen bij de vormgeving betrokken zijn. Zo zijn sinds 1994 netwerken van scholen bezig met experimenten die niet alleen voor de scholen zelf belangrijk zijn geweest, maar ook buitengewoon veel informatie hebben opgeleverd die in de voorbereidingen van de wet zijn gebruikt. En dan hebben we het niet over 20 van de ruim 500 scholen met een HAVO/VWO-bovenbouw, maar over meer dan 400 daarvan.

Dat scholen van begin af aan hebben kunnen meedenken, betekent overigens niet dat het voor leraren een koud kunstje is die begeleidende rol onder de knie te krijgen. Maar op de netwerkscholen vindt het merendeel van de docenten wèl dat het die kant op moet. De onderwijsvernieuwing die met het studiehuis wordt beoogd, is - in tegenstelling tot wat beleidsmakers en politici altijd lijken te denken - niet van de ene dag op de andere gerealiseerd. Een wet bedenken en aangenomen krijgen is één ding. Daarna duurt het nog jaren voordat die wet geïmplementeerd is.

Veel van wat van leraren in het studiehuis gevraagd wordt, leer je niet uit een handboek met procedures of in een nascholingscursus. Precies zoals in andere professionele beroepen leer je het pas werkelijk in de praktijk van alledag, aan de hand van je eigen werkervaringen en door uitwisseling van die ervaringen met collega's. Dat gaat met vallen en opstaan, met van tijd tot tijd een dip.

Maar met wat tijd en de ruimte komt het op den duur geleidelijk in orde. Het zou prettig zijn als het onderwijs die rust eindelijk eens zou krijgen. De stuurlui aan de wal zouden die tijd kunnen benutten om hun informatie-achterstand in te halen. Dan kunnen ze eens oefenen met een belangrijke studiehuisvaardigheid: het vormen van een gefundeerde mening.