Expositie elektrische, huishoudelijke apparaten in Rotterdam; Stofzuiger als statussymbool

De Kunsthal in Rotterdam stelt vanaf zaterdag elektrische, huishoudelijke apparaten ten toon. In Het elektrische huis is de evolutie te zien van strijkijzers en stofzuigers. Het ontluiken van de industriële vormgeving.

'Het elektrische huis (design)'. Kunsthal, Westzeedijk 341, Rotterdam, van 26 sept t/m 6 dec. Di t/m za 10-17u, zo 11-17u, ma gesloten. Entree ƒ 12,50 'Het elektrische huis' van Timo de Rijk. Uitg 010, ISBN 90 6450 3427. ƒ 65

Het Victoria & Albert Museum in Londen heeft er één, net als het Design Museum daar en Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam. En iedereen die er ook één wil hebben, kan hem bestellen in de museumshop van Boijmans. Of een eindje doorlopen richting 'koopgoot', want in de reguliere elektronikawinkel tref je hem tegenwoordig ook aan: de Dyson Dual Cyclone, een stofzuiger die is gemaakt van doorzichtig plastic. Hij is “sterk en efficiënt”. En bovendien: “zo uitgesproken dat hij heel goed in de kamer kan blijven staan”. De Dyson (prijs: een kleine 800 gulden) is er, met andere woorden, vooral ook om gezien te worden.

De stofzuiger als statussymbool? Het is de uiterste consequentie van een ontwikkeling die een kleine eeuw geleden begon met de introductie van elektrische huishoudelijke apparaten in Nederland. Kachels, koelkasten en stofzuigers werden aanvankelijk ontworpen door ingenieurs en technici, die slechts één opdracht hadden: een apparaat maken dat goed functioneerde. Stofzuigers moesten stofzuigen. En broodroosters moesten brood roosteren.

Wie tegenwoordig een koffiezetapparaat van Alessi koopt, doet dat waarschijnlijk niet in de veronderstelling dat de koffie die je daarmee zet lekkerder smaakt dan de koffie die je maakt met een goedkoop geval van Blokker. Voor de drie- tot vierhonderd gulden die zo'n Alessi kost, ben je niet de eigenaar van een simpel gebruiksvoorwerp, maar van een design-object.

Natuurlijk zijn het slechts de happy few die de vloer doen met een Dyson-stofzuiger of koffie drinken van een Alessi-machine. Toch illustreren deze voorbeelden de evolutie van alle huishoudelijk apparaten: het uiterlijk daarvan is steeds belangrijker geworden. Vanaf de jaren dertig bepaalden steeds vaker ontwerpers, met een artistieke opleiding, hoe een apparaat eruit zag.

In de Kunsthal in Rotterdam opent zaterdag een expositie van elektrische huishoudelijke apparaten, Het elektrische huis. Een deel van de voorwerpen dat daar te bezichtigen zal zijn, lag kort geleden nog op de rommelmarkt. Dat is vaak de enige plek waar oude apparaten te vinden zijn, zegt Timo de Rijk, kunsthistoricus en samensteller van de expositie. Bedrijven besteden over het algemeen weinig aandacht aan hun eigen geschiedenis. “Als je een zeventiende-eeuwse atlas wilt inzien dan kan dat op verschillende plaatsen. Maar een koffiezetter uit 1965 bekijken, dat is lastig”, aldus De Rijk, die afgelopen maandag promoveerde op een onderzoek naar de “vormgeving en acceptatie van elektrische huishoudelijke apparaten in Nederland”.

Na de gloeilamp was het strijkijzer in de eerste decennia van deze eeuw de belangrijkste stroomverbruiker in de Nederlandse huishoudens. De latere minister-president Drees verklaarde in 1916, toen hij lid was van de Haagse gemeenteraad, dat iedere Hagenaar naar zijn mening recht had op een strijkijzer. Zijn wens werd snel werkelijkheid. De firma Inventum uit Bilthoven verkocht in grote aantallen een ijzer dat bekend stond als het 'volksstrijkijzer'. De vorm deed er bij dat apparaat nog niet toe. Alle elektrische strijkijzers leken in het begin sterk op de oude kolen-strijkijzers.

De elektrische kachel was het eerste apparaat met een uiterlijk waarover was nagedacht door vormgevers. De reden daarvoor ligt voor de hand: een kachel staat vaak in de huiskamer en is daar, in tegenstelling tot de meeste andere apparaten, voortdurend zichtbaar. Bij sommige oude kachels is een duidelijke strijd waarneembaar tussen moderne vormgevingsambities en traditionele verlangens. Een kachel van Inventum uit 1933 bijvoorbeeld heeft een uiterlijk dat duidelijk verwijst naar de vorm van wolkenkrabbers - op dat moment het toppunt van vooruitstrevendheid - maar is tegelijkertijd voorzien van een schijnkolenvuur dat moet zorgen voor ouderwetse gezelligheid. Elektrische theelichtjes werden ook lange tijd nog uitgerust met een flakkerend lichtje, dat moest herinneren aan het overbodig geworden kaarsje.

Een van de eerste industriële ontwerpers in Nederland was de Rotterdammer Arie Verbeek. De draagbare straalkachel die hij in 1929 ontwierp voor de firma Inventum is een wonder van eenvoud. Het apparaat bestaat uit niet meer dan een frame van verchroomd staal, waar twee reflectoren aan bevestigd zijn. Het kacheltje oogt nog steeds modern en zou zo weer in productie genomen kunnen worden om te worden verkocht aan dezelfde mensen die veel geld over hebben voor een 'originele' Gispenstoel. Maar indertijd was Verbeeks kachel geen succes. Hij voldeed niet aan de later door de Amerikaanse ontwerper Raymond Loewy geformuleerde eis dat een consumptiegoed 'most advanced yet acceptable' voor het grote publiek moet zijn. Het apparaat was te geavanceerd om acceptabel te zijn.

Een andere mislukking die Timo de Rijk beschrijft in zijn boek Het elektrische huis is de Ruton Robot, die in 1950 op de markt kwam. De motor is het duurste onderdeel van ieder apparaat, redeneerden de makers daarvan, dus moet die voor meer dan een doel worden gebruikt. En dat deed de Ruton Robot. De machine bestond uit een motorhuis met de vorm van een eikel waaraan buizen, slangen en andere hulpstukken bevestigd konden worden. Het apparaat kon worden gebruikt als handstofzuiger, 'gewone' stofzuiger en meubelboenmachine, maar ook als mixer in de keuken. Als je op de robot een glazen pot schroefde, had je een verf- of insecticidespuit. En met een uitlaatstuk erop een haarföhn. Ook hadden de ontwerpers nog een optie met rubberen borstels bedacht, zodat het apparaat eveneens kon fungeren als vee- en huisdierenreiniger. Het mislukken van de Robot had natuurlijk niks met zijn vorm te maken, maar alles met zijn functie, of beter, het te veel aan functies: mensen föhnen niet graag hun haar met hetzelfde apparaat waarmee tevoren even de vloer gestofzuigd is.

Als je vandaag in willekeurige elektronikawinkel het assortiment stofzuigers bekijkt, valt op hoezeer die allemaal op elkaar lijken qua vorm: ronde hoeken aan de achterkant, één grote ronding aan de voorkant. Alsof je op een parkeerplaats met allemaal Opel Corsa's staat. Het is trouwens niet eens zo vreemd om te veronderstellen dat ontwerpers van stofzuigers naar auto's hebben gekeken, want transportmiddelen staan alle lange tijd model voor stofzuigers.

De allereerste stofzuigers waren nog eenvoudige rechthoekige apparaten. Het werk van technici. Maar al in de jaren dertig gingen industriële ontwerpers zich ermee bemoeien en hun belangrijkste inspiratiebron was de zeppelin, toen hèt symbool van vooruitgang. Net als de zeppelin en andere vervoermiddelen werden stofzuigers vanaf de jaren dertig gestroomlijnd volgens de wetten der aërodynamica, al waren die voor de werking van de huishoudelijke apparaten natuurlijk van geen enkel nut. Aan de zijkant kregen ze zelfs strips, die duidelijk de suggestie van staartroeren moesten wekken. Het zeppelinmodel bleef tot eind jaren vijftig populair, al werd er in reclames toen bij verwezen naar torpedo's en raketten in plaats van zeppelins.

Vanaf de tweede helft van de jaren zestig volgden de trends in de huishouding elkaar steeds sneller op. Elk jaar een nieuw model, werd bij Philips het streven. Panels van huisvrouwen werden ingezet om te onderzoeken welke kleuren, motiefjes of materialen het best in de smaak vielen. Technisch viel er aan de apparaten steeds minder te verbeteren, dus was het begrijpelijk dat bedrijven het wat productvernieuwing betreft vooral in uiterlijkheden zochten. En door de toegenomen welvaart konden consumenten het zich ook veroorloven om een koffiezetter in een vrolijker kleur te kopen, zelfs als het oude apparaat eigenlijk nog niet versleten was. Naast technici en ontwerpers werd een derde beroepsgroep steeds meer betrokken bij het maken van nieuwe apparaten: de marketeers.

En nu is de vormgeving van huishoudelijke apparaten zo 'volwassen' geworden dat sommige trends al verouderd genoeg zijn om opnieuw trend te worden - zoals je dat ook in klerenmode ziet. Bosch heeft nu bijvoorbeeld een koelkast uit de jaren vijftig heruitgebracht: “Cool van buiten en koel van binnen (...) een klassieke fifties-koelkast als blikvanger, en niet alleen in de keuken.” Want zo'n kast koop je natuurlijk ook om hem te laten zien. Net als de gasaansteker van Alessi of de Kitchen aid, een grote, ouderwets ogende mixer die de Bijenkorf verkoopt voor 849 gulden. Het warenhuis heeft ook een uitgebreid assortiment metalen broodroosters, die erg fifties ogen. Het wachten is op het eerste retro-design strijkijzer.