Duitsers bestaan niet

Het oosten, het westen. En daartussen: de schrijver Martin Walser die zoekt naar evenwicht tussen verleden en heden, tussen 'Ossies' en 'Wessies'. Een portret van Duitsland in zeven hoofdstukken.

IN DUITSLAND wonen geen Duitsers.

Of hij zich Duitser voelt, vraag ik Klaus, een vriend in Bonn. Welnee, zegt hij verbaasd, ik ben een Rijnlander. Wij zijn katholiek, we houden van feesten, van gezelligheid en vallen elkaar in de Biergarten luidruchtig in de armen.

Jutta, uit het noorden, reageert licht verontwaardigd. Of ik Duitse ben? Beslist niet. Ik kom uit Hamburg. Onze cultuur is angelsaksisch. We denken internationaal, we zijn protestant, liberaal, betrouwbaar. En, Hamburgers blijven altijd een tikkeltje gereserveerd.

'De Duitser' bestaat niet. Na de laatste oorlog mochten de inwoners van Duitsland geen Duitser meer zijn. Men besloot en masse uit de geschiedenis te stappen. Wat bleef, was het lokale patriottisme van de 'Heimat', die regionale lappendeken van vroegere stadstaten, koninkrijken en graafschappen die pas in 1871 door Bismarck tot een nationale staat zijn gesmeed.

Wie uit de noordelijke havenstad Rostock komt, de uitgestrekte blonde korenvelden van Meckelenburg-Voorpommeren achter zich laat en naar het zuiden trekt, reist door het idyllische water-en-bomen-landschap van Fontane in Brandenburg, door het bruine akkerland van Saksen-Anhalt en de groene heuvels van Thüringen. Aangekomen bij de Bodensee tussen de Beierse bergen voelt hij zich een buitenlander, geen Duitser.

Voor de opa van Klaus was de Duitse geschiedenis geen vraagteken. Ze begon met de Germanen en hun strijd tegen Rome. Het lijdt geen twijfel dat Hermann de Cherusker, die de Romeinse legioenen in het jaar 9 na Christus in het Teutoburger Woud versloeg, een Duitse held is. Het immense Hermann-monument bij Detmold, een van de vele 'Denkmäler' waar de Duitsers in het weekeinde naartoe trekken, draagt nog altijd het opschrift: 'Deutschlands Einigkeit meine Stärke, meine Stärke Deutschlands Macht'.

In Kleine Deutsche Geschichte, dat dit jaar in een nieuwe versie is verschenen, trekt de Berlijnse historicus Hagen Schulze een boog van Hermann naar Bismarck, via Karel de Grote, die van het rijk der Romeinen het Duitse rijk maakte, via de Pruisische koning Frederik de Grote en de Oostenrijkse Maria Theresia, toen de onenigheid van de Duitse stammen een climax bereikte.

Het is een representatieve portrettengalerij waarop de Duitsers trots waren totdat de 'Duitse catastrofe' - Hitler en de Tweede Wereldoorlog - de nationale staat van de Duitsers besmeurde. Op de gouden legende van het germaans-Duitse rijk, schrijft Schulze, volgde de zwarte legende van de Duitse 'Sonderweg'. De enige Duitse waarheid bestond nog uit de misdaden van het Derde Rijk.

Na de oorlog groeven de bewoners van de nieuwe Bondsrepubliek zich in. Stunde Null - de geschiedenis begon opnieuw. Met het sentiment dat een 'Messias' de politiek moest bepalen, werd afgerekend. De West-Duitsers kozen anti-helden tot kanselier, zoals Adenauer en Erhard. De nationale schaamte bedwelmde het land, totdat - in de roerige jaren zestig - een nieuwe generatie wilde weten wat hún ouders in de oorlog hadden gedaan. Intussen staken de vaders en moeders al hun energie in de wederopbouw. Ze volbrachten het 'Wirtschaftswunder': een ijskast en een auto voor iedereen.

De democratie in de Bondsrepubliek overleefde de culturele revolutie van de jaren zestig. Met de opkomst van de sociaal-democraat Willy Brandt als kanselier leerden de Duitsers voor het eerst dat de democratie niet ten onder hoefde te gaan als de macht wisselt. De machtsovername door de christen-democraat Helmut Kohl, in 1982, bracht eveneens een kalme, politieke koers. Terwijl Reaganomics en Thatcherisme de Westerse wereld domineerden, beleefde West-Duitsland stabiele tijden: een revolutionaire ervaring binnen de Duitse verhoudingen.

In het andere Duitsland had de geschiedenis intussen haar eigen loop genomen. De mensen in de DDR kregen een nieuwe interpretatie van de geschiedenis opgelegd, waarover geen discussie mogelijk was. De Sovjet-bezetters gaven de macht niet uit handen, zoals de Westerse bezetters dat wel deden.

Het Oost-Duitse socialisme kon, wegens gebrek aan economisch succes, niet opbieden tegen het attractieve Westerse systeem. Wie het risico aandurfde, vluchtte naar West-Duitsland. Alleen de bouw van de Muur verhinderde dat het land leegliep. Via een uitgebreid netwerk van Stasi-spionnen ('Spitzeln') probeerde het regime de oppositie in de kiem te smoren.

De revolutie van 'glasnost' en 'perestrojka', die Sovjet-leider Gorbatsjov in de jaren tachtig ontketende als antwoord op de economische ruïne in zijn land, werd door de starre Oost-Duitse partijleider Erich Honecker buiten de deur gehouden. In Moskou waren 'zwakkelingen en verraders' aan het werk, vonden de gestaalde kaders in Oost-Berlijn, die de DDR als rots in de communistische branding overeind dachten te houden.

En weer was het Stunde Null, toen op 9 november 1989 de Muur viel. In het westen kwam op slag een einde aan de vredige welvaart en de geringe verantwoordelijkheid voor de buitenlandse politiek. In het oosten zette de vreedzame revolutie het hele leven op z'n kop. Nog geen jaar later, op 3 oktober 1990, waren de twee Duitslanden herenigd. De bulldozers walsten de planeconomie plat om het kapitalisme ruim baan te geven.

Het dictum van de grote filosoof Nietzsche ging niet meer op: 'De Duitsers zijn van eergisteren en van overmorgen - ze hebben nog geen heden.'

Voor het eerst in de Duitse geschiedenis voltrok zich een vreedzame revolutie die de bevolking vrijheid én democratie. De Duitsers mochten weer Duitser zijn.

Voorbij was de tijd dat de Duitsers werden beschouwd als een instabiel, onvoorspelbaar volk. De historicus Hans-Peter Schwarz meende dat de deling verreweg de belangrijkste oorzaak is geweest voor de collectieve neurosen van de oude Bondsrepubliek en het geworstel met de Duitse identiteit. Maar Goethe vond al dat de 'Duitsers alles moeilijk maken, zowel voor zichzelf als voor een ander'. De abrupte hereniging heeft de Duitse republiek(en) danig door elkaar geschud. De Duitsers mogen weer Duitser zijn, maar dat blijkt niet zo simpel. Acht jaar na de hereniging is de roes van verbroedering in vervreemding omgeslagen. Ossies zijn Ossies gebleven en Wessies zijn Wessies. Tussen de twee broers gaapt een politieke en mentale kloof.

Mocht kanselier Kohl komende zondag bij de verkiezingen worden weggestemd, dan zijn z'n overmoedige beloften aan het oosten daar zeker debet aan. Hij is zijn toezegging dat de bankroete commando-economie binnen enkele jaren in bloeiende landschappen omgetoverd zou worden, niet nagekomen. Eén op de drie mensen in het oosten, waar 16 miljoen mensen wonen, is zijn baan kwijt.

Natuurlijk, het oosten staat in de steigers, steden krijgen weer kleur, hobbelige wegen worden geasfalteerd, pioniers richten bedrijven op. Maar voor te veel Oost-Duitsers is de werkelijkheid grauw gebleven. Ze weten geen raad met de scherpe kanten van de ellenbogenmaatschappij, ze voelen zich 'Heimatlos' in het nieuwe verenigde land. Sommigen zoeken steun bij de hen vertrouwde PDS van de vroegere communisten, anderen bij radicaal-rechts.

De West-Duitsers zien intussen hun welvaart bedreigd. De miljardensteun voor de opbouw van het oosten vereist een permanente greep in de portemonnee; de extra 'solidariteitstoeslag' zal veel langer moeten worden betaald dan gedacht.

Ook in het westen is de werkloosheid snel gestegen. Sommige ondernemers hebben de poorten gesloten, om in het goedkopere Oost-Duitsland een bedrijf te beginnen. Globalisering én vergrijzing zetten het Duitse model (de sociale markteconomie) onder druk. Te lang heeft Duitsland zich gewenteld in het eigen succes. Het lukt de Duitse olietanker maar moeilijk het roer om te gooien. De werkloosheid is met bijna 4,5 miljoen na de oorlog niet zo hoog geweest, omdat de 'Wende zum Weniger' uitblijft.

Durven de Duitsers het experiment aan van een rood-groene regering (SPD en Groenen)? Kiezen ze op 27 september voor het avontuur van een nieuwe Bondskanselier en een nieuwe coalitie, of laten ze het toch liever bij de schijnbare zekerheid van het oude?

Het is een keuze met een lange geschiedenis in de Duitse verhoudingen. De grote naoorlogse schrijver Martin Walser noteerde: “Dat is eigenlijk de normale toestand, tussen twee onmogelijkheden te leven.”

Pagina 32: 'Betalen, betalen en betalen, dat is de historische last die we moeten dragen'

HET WATER van de Bodensee klotst vriendelijk tegen de wal. Als zwanen glijden de zeilboten over het meer. Het zonlicht straalt door de bomen op de roze rozentuin. In de volle bloemen zoeken bijen ijverig naar honing. Alleen de vogels kwetteren de stilte weg.

De schrijver Martin Walser (71) heeft aan de Bodensee een volmaakte wereld geschapen. In Nussdorf, een klein dorp dat ligt tussen de fruitbomen, is de wereld nog intact. Even verderop is Walser geboren, in Wasserburg, het dorp waar zijn nieuwste roman Ein springender Brunnen zich afspeelt.

Een stadsmens was hij nooit.

De harmonie aan het water staat in scherp contrast met het lijden van de hoofdrolspelers in zijn boeken. Met het jongetje Alfred Dorn, wiens Werdegang wordt bepaald door het bombardement van Dresden in 1945; met de Oost-Duitser Wolf die worstelt met de waanzin van de Muur; met Stefan Fink, de ambtenaar die een eenzame oorlog voert tegen het onrecht als hij na achttien jaar trouwe dienst aan de kant wordt gezet wanneer zijn staatssecretaris van de SPD het veld moet ruimen voor iemand van de CDU.

Het oeuvre van Walser is doordrenkt met de ups en downs in de jongste Duitse geschiedenis. Belangrijke thema's in zijn werk vormen de pijn van het gebroken verleden, de gebrekkige verwerking van de nazi-tijd en de treurige verliezers die in de statusbewuste wereld van het Wirtschaftswunder ten onder gaan. Met Günter Grass en Siegfried Lenz behoort hij tot de grote hedendaagse Duitse schrijvers.

De linkse intellectuelen in Duitsland hebben het Walser niet vergeven dat hij in 1986 zei “nooit aan de Duitse deling te kunnen wennen”. Een verdacht 'nationaal' standpunt, vooral uit de mond van Walser, die in de jaren zestig nog campagne voerde voor Willy Brandt en gold als een prominent geëngageerd auteur. Maar zijn openlijk beleden verlangen naar Thüringen en Saksen kwam Walser op uitstoting uit de 'linkse' gemeenschap te staan.

Walser zelf kon zoveel intolerantie niet begrijpen. Alleen al omdat hij een Duitse jeugd had gehad, voelde hij zich Duits. Waarom moest hij zich daarvoor schamen? Voor Walser hield Duitsland niet in 1945 op te bestaan. Hij wantrouwde de geheugenloze burger van de nieuwe Bondsrepubliek, die deed alsof de geschiedenis opnieuw begon. “Als je, zoals ik, de jaren 1933 tot 1945 heb meegemaakt, voel je je gedwongen met het verleden bezig te zijn”, zei Walser eens in een vraaggesprek met deze krant. De Duitse identiteit is geen jas die je even kunt uittrekken.

Met de vereniging van de twee Duitslanden hebben de Duitsers hun identiteit officieel teruggekregen. Op het terras in de rozentuin spreekt Walser bedachtzaam, alsof hij bij elke vraag een deel van zijn leven weegt. De belangrijkste gebeurtenis in de zestienjarige regeerperiode van bondskanselier Helmut Kohl is voor hem zonneklaar.

“De echte prestatie van Kohl is dat hij de spontaniteit heeft gehad om Gorbatsjov de hand te reiken.” Walser herinnert zich de televisiebeelden in de zomer van 1990 nog als de dag van gisteren, toen de kanselier de Sovjet-leider in de Kaukasus bezocht. “Je zag een rivier met steile oevers. Gorbatsjov stond een beetje lager. Kohl stak zijn hand uit en trok Gorbatsjov de oever op.”

Een historische prestatie, vindt Walser. Dat kun je niet hard genoeg zeggen. Vooral omdat Kohl een leerling is van Konrad Adenauer, de eerste naoorlogse kanselier, die niets van de Sovjets moest weten. “Het feit dat Kohl een communist de hand reikte en voelde dat dat het juiste moment was om de hereniging te bereiken, is een prestatie die niemand kan betwisten.”

Kohl is daarmee volkomen uit de schaduw van zijn politieke leermeester getreden, vindt Walser.

Hilarisch noemt hij de rol die de toenmalige SPD-kandidaat voor het kanseliersambt, Oskar Lafontaine, in die jaren speelde. “Hij is voortdurend achter Kohl aangerend met zijn rekenmachine en riep: het wordt duurder dan de bondskanselier zegt. Speelt dat een rol, of het duurder wordt?”

Zelf was Walser in die periode in Dresden. Enkel de sanering van de bruggen in Saksen kostte één miljard mark. “Alleen de bruggen in Saksen! Ze waren allemaal kapot. Hoe kon men dat van tevoren nu weten?”

Walser: “Duitsland is armer geworden. We hebben meer werklozen dan ooit. Dat was onder iedere regering gebeurd. En het zal nog lang duren voordat de situatie is genormaliseerd, want een jeugdwerkloosheid van 25 procent in Saksen-Anhalt is niet normaal.”

Maar het is “onze historische last”, zegt Walser, die Duitsland te dragen heeft totdat hij is afbetaald. “Dat zijn we het oosten toch schuldig na bijna veertig jaren scheiding: dat we betalen, betalen en betalen. In het westen zijn we toch zo goed weggekomen, vergeleken met hen daar.”