Belofte van staatssecretaris Van der Ploeg bij opening van Nederlands Film Festival; Zeven miljoen gulden voor Nederlandse film

UTRECHT, 24 SEPT. Met een belofte van zeven miljoen gulden, drie koninklijke onderscheidingen en een sigaar uit eigen doos voor de Nederlandse film heeft staatssecretaris Rick van der Ploeg van Cultuur gisteren in Utrecht het achttiende Nederlands Film Festival geopend.

In zijn openingstoespraak kondigde de staatssecretaris aan een bedrag van zeven miljoen gulden te willen reserveren voor de Nederlandse film bovenop het pakket stimuleringsmaatregelen dat het vorige kabinet al aan de bedrijfstak had toegezegd. Vijf miljoen zou moeten komen uit de extra middelen voor de cultuurbegroting voor 1999. De resterende twee miljoen zal afkomstig moeten zijn uit de kasreserve van het Fonds voor de Nederlandse Film. “Het klinkt als een sigaar uit eigen doos”, gaf Van der Ploeg toe, “maar dat is het niet.” Deze twee miljoen zou het budget moeten vormen voor een intendant die filmprojecten 'bouwrijp' moet maken voor Fine BV, het vorig jaar door de toenmalige minister van Economische Zaken Wijers aangekondigde filminvesteringsfonds, dat later tijdens het festival zijn plannen zal presenteren.

Van der Ploeg sprak zijn zorg uit over een 'stagnatie in de productie van kwaliteitsfilms voor een breed publiek'. Hij vatte zijn filmbeleid samen in een zes-puntenprogramma waarin zijn al eerder uitgesproken voorkeur voor massale cultuuruitingen onder meer zou moet leiden tot meer samenwerking met de televisie. De participatie van de publieke omroepen in filmproducties (vorig jaar met 28 procent al meer dan het Fonds voor de Nederlandse Film) zou verder moeten worden vergroot.

Teleurgesteld merkte de staatssecretaris dan ook op dat de openingsfilm van het festival, Het 14e kippetje van Hany Abu-Assad naar een scenario van Arnon Grunberg, zonder steun van omroepgeld tot stand was gekomen. Zonder ook maar iets af te dingen op de noodzaak meer geld beschikbaar te stellen voor de Nederlandse filmproductie is het echter nog maar de vraag of deze nadrukkelijk op een jong publiek mikkende, bij vlagen amusante, maar vaker slordige film over liefde en het huwelijk met een groter budget en een uitzendgarantie béter was geworden. Abu-Assads neiging om de spitse Grunberg-dialogen sloom en weinig gearceerd te ensceneren en zijn gebrek aan ensemble-regie hebben eerder met talent en vakmanschap te maken dan met geld. De film wordt nu gedragen door het spel van Dirk Zeelenberg, die echter ook gebaat was geweest bij iets vlottere schnitts.

Van der Ploeg wil meer kansen creëren voor jonge filmmakers en kleine filmproducenten, door hem consequent als cultureel ondernemers aangeduid. De animatiefilm en de conservering van nitraatfilms ('het filmische erfgoed') mogen ook hopen op extra kapitaal.

In die lijn paste ook de uitreiking van het eerste Gouden Kalf, de Cultuurprijs van het Nederlands Film Festival, aan de filmhistoricus Geoffrey Donaldson voor zijn inventarisatie van de beginjaren van de Nederlandse cinema. In samenwerking met het Filmmuseum leidde dat vorig jaar tot de publicatie Of Joy and Sorrow, waarin ruim 300 zwijgende films uit de periode 1896-1933 worden besproken.

Van der Ploeg bekende door kinderen in zijn omgeving vaak te worden gewezen op zijn gelijkenis met het personage Kees uit de Flodder-trilogie van het regisseur-producenten duo Dick Maas en Laurens Geels van productiemaatschappij First Floor Features. Vervolgens speldde hij de beide eregasten ('een schoolvoorbeeld van cultureel ondernemerschap') van het festival een koninklijke onderscheiding op als Ridder in de Orde van Oranje Nassau. Regisseur Mike van Diem, die vorig jaar een Oscar kreeg voor het door Maas en Geels geproduceerde Karakter, werd benoemd tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw.

De Prijs van de Stad Utrecht voor jong talent ging naar Dylan de Jong (1969) voor zijn low-budget VPRO-televisiefilm Venus.