Ach, mooie tijd was dat

“Goedemiddag, meneer. Weet u dat het vandaag officieel straatprinsessendag is?” Het is 29 april en ik loop door het Centraal Station van Amsterdam. Een graatmager vrouwtje met haar dat in slierten over haar schouders valt, houdt me aan. Ze draagt een miniscuul topje waaronder haar navelpiercing blinkt. Met trage stem zegt ze: “Morgen is de koningin jarig en ter ere daarvan is er vandaag een speciale dag voor straatprinsessen. Ik ben een straatprinses. Gisteren heb ik op straat mijn troon in elkaar gezet, maar die hebben ze vannacht kapot getrapt.”

“En wat doen straatprinsessen zoal?” vraag ik.

“Nou, die bietsen en zo.”

“Wat bietsen ze dan?”

“Nou, u weet wel, guldens en dat soort dingen.”

Een man komt aanlopen. “Hier, streetprincess!” Hij geeft de straatprinses een sigaret. Ik geef haar wat kleingeld en loop door. Achter me hoor ik: “Goedemiddag, meneer. Weet u dat het vandaag officieel straatprinsessendag is?”

Ik laveer door de mensenmenigte die door de catacomben van het station stroomt. Een man op inline skates passeert me rakelings. Hij heeft een hond aan de lijn. Zijn zoontje loopt met hem mee. Zelf passeer ik een oude man met kruk. De bejaarde neemt elke stap heel voorzichtig en tilt zijn knieën daarbij hoog op. Het lijkt of hij op hete kolen loopt. Ik kom langs de plek waar laatst een vriendin werd overvallen. Hier sloeg iemand haar portemonnee uit de hand en begon vervolgens samen met een handlanger de rommel op te rapen. Opeens waren ze met het geld verdwenen.

Dan betreed ik het zonovergoten stationsplein. Vlak voor me worden drie meisjes met rugzakken aangesproken door een man op een fiets. Ik hoor niet wat hij vraagt, maar de meisjes ontwijken handig zijn blik, schudden het hoofd en lopen naar de telefooncellen. De man met de fiets blijft spiedend op het plein staan.

Een paar meter verder zie ik een clown optreden. Hij wordt op fluit begeleid door een meisje met vlechtjes en een zilveren rokje. De clown hamert twee stukken hout tussen de tegels en spant een touw, dat slap op de grond blijft liggen. Er volgt een koorddansact, waarbij de clown jongleert met Chinese kolen en sinaasappelen. Japanse toeristen lopen voorzichtig om het touw heen.

In de verte drukken plots twee agenten, een man en vrouw, een neger tegen de grond. Ze proberen zijn arm achter zijn rug te buigen, maar de man houdt zijn armen stevig onder zich. Omstanders verzamelen zich rond de drie. De agente laat iets uit haar broekzak vallen. Een zwerver pakt het voorwerp op en probeert het aan de worstelende vrouw terug te geven. De agente praat ondertussen al vechtend in haar mobilofoon. In de verte klinken onmiddellijk sirenes. Een politieauto komt uit de richting van het Damrak en stopt op een meter voor de worstelende drie. De agenten stappen uit en even later is de verdachte overmeesterd. Een politiebusje arriveert. De neger wordt zwijgend in de wagen geduwd.

Bij mijn tramhalte staat een prullenbak in brand. De vlammen likken aan de rand en de wachtende passagiers kijken hulpeloos toe. Dan werpt een meisje een bakje patat in het vuur. Een passerende fietser roept: “Ja, gooi er nog maar wat bij!”