Rusland verdient wel degelijk hulp

Op de dag dat de Russische roebel instortte en Rusland in de ergste politieke en economische crisis belandde sinds het aantreden van president Jeltsin, vond in Leiden de zoveelste meerdaagse bespreking plaats tussen Russische en Nederlandse wetgevingsspecialisten, dit keer over het meest recente ontwerp van het nieuwe derde deel van het Russisch Burgerlijk Wetboek.

Dat deel gaat over het 'intellectuele eigendom', een onderwerp dat internationaal nogal gevoelig ligt en dat men graag voor het einde van dit jaar in de Doema had willen laten behandelen en goedkeuren. Of dat na de recente ontwikkelingen ook daadwerkelijk zal gebeuren, staat nog te bezien.

Wie de recente discussies in deze krant tussen de columnisten Eduard Bomhoff en Roel Janssen heeft gevolgd, waar vorige week ook Heldring zich in mengde, zal geneigd zijn te zeggen dat die bespreking verspilde moeite is geweest en weggegooid geld. De huidige chaos in Rusland roept inderdaad al gauw de reactie op van: geen hulp meer en laat ze het zelf uitzoeken. Volgens Bomhoff kan alleen een sterke man uitkomst bieden omdat die in ieder geval voor belastinginkomsten kan zorgen. Heldring is nog sceptischer en zegt dat Rusland pas weer rijp is voor hulp als de voorwaarden voor een rechtsstaat zijn vervuld. Tegelijk zegt hij weinig hoop te hebben dat een man als generaal Lebed een dergelijk verlicht inzicht heeft. Toch is onder deze hopeloze omstandigheden niet elke vorm van hulp zinloos.

Meer dan tien jaar ervaring met internationale juridische samenwerking heeft tot de overtuiging geleid dat de ontwikkeling van goede wetgeving, van een goed opgeleide rechterlijke macht, een goede advocatuur en goede juridische opleidingen allemaal noodzakelijke - helaas geen voldoende - voorwaarden zijn voor verdere sociale en economische ontwikkeling. Heldring noemde dat in deze krant (8 september) 'bijna een open deur', maar ik wil er op wijzen dat wat nu een open deur is nog niet zo lang geleden als een novum werd gezien.

Het is nog maar sinds kort dat recht en juridische instituties als belangrijke onderdelen van het ontwikkelingsproces worden gezien. Tot het einde van de Koude Oorlog werd in de discussies over recht en ontwikkeling vooral gesproken over mensenrechten en over de vraag of aan een land wel of geen ontwikkelingshulp mocht worden gegeven. Pas vanaf 1985 ontstond binnen het samenwerkingsprogramma met Indonesië ruimte voor projecten gericht op ontwikkeling van juridische instituties en van juridisch onderwijs. Maar de echte doorbraak kwam pas toen de programma's voor samenwerking met Oost-Europa en de landen van de voormalige Sovjet-Unie zich gingen ontwikkelen. Het waren begin jaren negentig het Nederlands Helsinki Comité en het Centrum voor Internationale Juridische Samenwerking die in Oost-Europa en in landen van de voormalige Sovjet-Unie begonnen met een paar bescheiden projecten op het gebied van mensenrechten en wetgeving. Inmiddels zijn die uitgegroeid tot een indrukwekkende hoeveelheid activiteiten op talloze uiteenlopende gebieden zoals het Burgelijk Wetboek in bijvoorbeeld Rusland en andere GOS-landen en Eritrea, administratief recht in Georgië, rechterstrainingen in Mongolië, 'court administration' in Kirgizië en faillissementsrecht in Indonesië.

Nu is het maar de vraag of we daar terecht zo trots op zijn. Helpt het allemaal wel? Duidelijk is inmiddels wel geworden dat die Nederlandse adviezen het ontstaan van het 'gangsterkapitalisme' niet hebben kunnen voorkomen: Berezovski en zijn kornuiten kennen God noch gebod. Daar helpt geen wetboek tegen. Toch moet het belang van zoiets als een burgerlijk wetboek niet onderschat worden. In Rusland hebben voorstanders van het moderne burgerlijk recht wel eens gezegd dat het Burgerlijk Wetboek 'de Constitutie van de gewone man' is, omdat het de regels geeft voor heel veel gewone dagelijkse handelingen als kopen (ook op afbetaling) en verkopen, huren en verhuren en lenen en schenken. Het belang van de regels voor al dat soort afspraken zal duidelijk zijn. Het probleem is natuurlijk dat het niet alleen om de regels gaat, maar ook om de handhaving ervan.

Indonesië is het voorbeeld van een land waar de regels - in feite het oude Nederlandse BW-er in principe wel waren, maar waar het onder andere misliep omdat een serieuze onafhankelijke rechterlijke macht, die de regels handhaaft, ontbrak. Onder die omstandigheden wordt het economisch verkeer een jungle waar je alleen kunt overleven als je de eigenschappen van een Tarzan hebt. Vroeg of laat gaat het systeem aan zijn eigen rechteloosheid en corruptie ten onder.

In landen als Rusland en Georgië, waar inmiddels met buitenlandse ondersteuning nieuwe wetgeving is ingevoerd, gaat men nu de tweede fase in en richt men zich op de voorwaarden die nodig zijn om die wetgeving daadwerkelijk toe te passen en te handhaven. Nederland kan helpen bij de verspreiding van informatie, bij het schrijven van de nodige toelichtingen op de nieuwe wetten, het organiseren van trainingen en soms bij het opzetten van nieuwe instituties die voor de handhaving nodig zijn.

De opbouw van een rechtsstaat is een lang proces en er moet heel veel gebeuren voor het ergens op begint te lijken, maar helemaal 'theoretisch' zoals Heldring het noemde in zijn column is het toch niet. Nog onlangs bleek tijdens een symposium in Leiden, waar rechters, advocaten en wetenschappers uit Rusland, Nederland en uit andere Westerse landen over de impact van het nieuwe Russische Burgerlijk Wetboek op de rechtspraktijk in Rusland discussieerden, hoe de nieuwe spelregels daar langzaam maar zeker terrein winnen. Het is verrassend en bemoedigend om te zien wat er ondanks de ene na de andere politieke crisis aan de top, op het niveau van wetgeving en rechtspraak ontwikkeld wordt.

Het is trouwens opvallend dat een land als Rusland zich juist tot Nederland wendt voor zijn juridisch advies. Wat maakt ons land zo aantrekkelijk? Dat ligt in de eerste plaats aan een paar gewilde juridische 'exportproducten': het Burgerlijk Wetboek van 1992 en de sinds kort de snel in populariteit stijgende Wet Algemeen Bestuursrecht. Het is een merkwaardige ervaring om bij de president van de Hoge Raad van Mongolië op bezoek te zijn en daar concrete vragen over deze recente stukken wetgeving voorgeschoteld te krijgen. Nederlandse juristen zijn ook veel gevraagd omdat ze doorgaans hun talen goed spreken en internationaal georiënteerd zijn. Een derde factor is dat de Nederlandse stijl van samenwerken die niet is gericht op het opdringen van oplossingen of - nog erger - van een rechtssysteem, maar die uitgaat van een meer bescheiden rol van de adviseur. Zo'n adviseur brengt wel zijn ervaring in, maar geeft geen directe oplossing. Het feit dat in Nederland zelf op juridisch gebied ook zoveel aan het veranderen is levert in deze internationale samenwerking juist een vergelijkend voordeel op: in zekere zin is Nederland ook een 'transitland'.

Het zou een onvergeeflijke historische fout zijn als het Westen nu de deur dicht zou doen en zou toestaan dat Rusland zich uit zijn aarzelende omhelzing losmaakt en terugkeert in zijn isolement. Juist internationale juridische samenwerking kan helpen de Russische vensters naar de wereld open te houden. Terwijl op zolder gevochten wordt kan Nederland goed werk doen door de benedenverdieping alvast op orde te brengen.