Nieuwe generatie heeft dit jaar het filmmonopolie

Nederlands Filmfestival, Utrecht, t/m 3 oktober. Informatie en reserveringen: (030) 2343629/2343788.

UTRECHT, 23 SEPT. Als vrijdag over een week voor de achttiende keer de Gouden Kalveren worden uitgereikt aan het slot van het Nederlands Filmfestival, is het zo goed als uitgesloten dat de prijs voor de beste lange speelfilm in ontvangst zal worden genomen door een producent die dit beroep tien jaar geleden ook al uitoefende. De reden is niet dat de veteranen Rob Houwer, Matthijs van Heijningen of First Floor Features het afgelopen jaar ondermaatse films zouden hebben afgeleverd. Het ligt simpeler: alle negentien lange speelfilms in competitie zijn geproduceerd door relatieve nieuwkomers, als om te bewijzen dat de al lang aangezegde generatiewisseling in de Nederlandse filmproductie zich nu echt voltrokken heeft. Slechts twee van de tot en met het Utrechtse festival in première gebrachte films hebben een (minoritaire) coproducent met een langere staat van dienst: Suzanne van Voorst deed de productie van het door haar geïnitieerde Felice...Felice... van regisseur Peter Delpeut over aan Pieter van Huystee en René Scholten was de coproducent van de Argentijns-Spaans-Nederlandse slotfilm van het festival, Alejandro Agresti's Door de wind gejaagd (El viento se llevo lo que).

Net als Jeroen Krabbés Engelstalige Left Luggage (producenten: Ate de Jong, Dave Schram en Hans Pos) voldoet Agresti's in Patagonië opgenomen, Spaanstalige film via een voor coproducties reglementair vastgelegde, gecompliceerde puntentelling aan de Utrechtse criteria van een 'Nederlandse' film. Voor de puntentellers geldt regisseur, producent en scenarist Agresti als Nederlands ingezetene, al zullen weinig collegaproducenten dat als zodanig ervaren. Toch is een nominatie voor Agresti verre van denkbeeldig. De surrealistische komedie over een dorp zonder televisie en radio, waarvan de bewoners zich gedragen volgens de in willekeurige samenstelling geprojecteerde films in de locale bioscoop, behoort tot de hoogtepunten in de competitie, naast favorieten als Kleine Teun (regie: Alex van Warmerdam; productie: Marc van Warmerdam) en De Poolse bruid (regie: Karim Traïdia; productie: Jeroen Beker, Frans van Gestel, Marc Bary, Ilana Netiv).

Van de vijf premières in de competitie is de grootste verrassing Dropouts van Will Wissink, geproduceerd door de regisseur samen met scenariste en hoofdrolspeelster Zebi Damen. Gedraaid in dertig dagen voor 70.000 gulden (exclusief de niet uitgekeerde salarissen van alle betrokkenen en de grotendeels door het Filmfonds betaalde laboratoriumkosten van 120.000 gulden) is dit weer zo'n wilde, aanvankelijk ongesubsidieerde no-budgetfilm van onverwacht professioneel niveau. Tegen de achtergrond van de Eurotop laat Wissink (hij werkte sinds zijn horror-eindexamenfilm Burp! uit 1986 vooral voor televisie) de wederwaardigheden zien van drie Amsterdamse daklozen. De authenticiteit gaat nooit ten koste van de kwaliteit van het camerawerk (Willem Helwig), licht, geluid en de zeer sterke acteurs. Scenario en montage hadden wat puntiger gekund, maar Dropouts is geestig, wrang, sfeervol en nooit larmoyant in zijn geslaagde poging om de achtergrond te belichten van de mensen die rond het Centraal Station lopen te bedelen, zich prostitueren, drinken, spuiten en soms met een semafoon op zak een inkomen verdienen. De film heeft nog geen distributeur, dus leende Wissink vijfhonderd gulden van zijn moeder om op het festival persmappen uit te kunnen delen.