Micha Klein zoekt naar de ideale vrouw

Tentoonstelling: Micha Klein. Groninger Museum, Museumeiland 1, Groningen. Di t/m zo, 10-17u. T/m 29 november. Catalogus: 118 blz. Prijs ƒ 64,95.

In het restaurant van het Groninger Museum worden dezer dagen 'Micha Klein-taartjes' geserveerd. Mierzoete bolletjes zijn het, verkrijgbaar in de smaken honing-framboos, citroenbavarois en Cointreau-chocola. Er staat ook 'paddo-ragout' op het menu en in de museumwinkel, even verderop, lonken Micha Klein-dagboekjes, Micha Klein T-shirts, Micha Klein-muismatten en Micha Klein-koelkastmagneten. Stuk voor stuk zijn deze gadgets uitgevoerd in knallende kleuren en meestal stuitert 'Pilman' (Kleins dansende mascotte) er wel ergens op rond, of anders een van de fotomodellen die zijn werk overdadig bevolken.

Al deze hebbedingetjes passen uitstekend bij de nieuwe status van Micha Klein: die van de hipste kunstenaar van het moment, de kunstenaar die niet alleen met de nieuwste technieken werkt (computers, video), maar ook zijn vinger aan de bonkende pols van de house-cultuur heeft. Dat is ook precies wat de acht zalen met Kleins werk in het Groninger Museum uit willen stralen. Door de ruimtes dreunt een aangename house-beat, de zalen zijn, volgens goed-Groninger traditie, in felle kleuren geschilderd. Daartussen zijn Kleins computerprints en video's vooral een onbekommerde viering van de tijdgeest. Langbenige fotomodellen trekken voorbij, feesten op Ibiza, 'peace'-tekens, gebodypainte lichamen en een bombardement van kleuren, dat er vermoedelijk nog aangenamer uitziet als je er de juiste pil bij hebt geslikt.

Op grond van deze uiterlijkheden ligt het voor de hand Kleins werk af te doen als trendy en oppervlakkig, maar dat zou wat kortzichtig zijn, al is het maar omdat Klein zelf zijn prints nadrukkelijk in de traditie van de schilderkunst plaatst. En inderdaad: de elfjes en faunen in de serie Among Elves (1998) verwijzen onmiskenbaar naar de nymfen van Botticelli. Nog duidelijker worden Kleins kunsthistorische referenties zichtbaar in de serie Artificial Beauty (1998). Die bestaat uit een reeks forse portretten van vrouwen, de ene nog gladder en perfecter dan de ander. Klein schiep ze door het gezicht van zijn vriendin (fotomodel Afke, die vaker in zijn werk opduikt) op de computer te vermengen met andere vrouwen - een blonde, een Chinese, een brunette, een negroïde. Het is een directe verwijzing naar Rafael, die al in de zestiende eeuw probeerde de ideale vrouw te schilderen door de mooiste onderdelen van verschillende vrouwen te combineren tot één perfecte schoonheid.

Ondertussen hoef je maar even over Kleins expositie te wandelen om te merken dat deze 'serieuze' referenties er in de praktijk nauwelijks toe doen - nog nooit zag ik op een tentoonstelling het publiek zo volledig opgaan in de sfeer die de kunstenaar creëerde. De ene helft, voornamelijk de ouderen, wandelt ongemakkelijk door de zalen, de schouders gebogen onder het house-geweld; het andere deel, meestal de jongeren, loopt rond met een brede glimlach op het gezicht en vlijt zich gelukzalig achterover op de witte, harige banken in de zaal waar Kleins hallucinerende video-beelden worden geprojecteerd.

In die generatie-scheiding zit denk ik ook de crux van de waardering voor Klein. Bij veel conservatoren en museumdirecteuren moet zijn werk een zelfde bevreemding opwekken als, zeg, de kunst van Cobra bij hun collega's van vijftig jaar geleden. In het geval van Klein komt dat doordat het bekende kunsthistorische kader nauwelijks nog steun biedt (al is het niet verdwenen), en is vervangen door de codes van de house-cultuur - een terrein waarmee de gemiddelde kunstliefhebber niet dagelijks in aanraking komt.

Bovendien weet Klein dat 'house-gevoel' overtuigend te presenteren. Het visuele en auditieve geweld is in het Groniger Museum zo hevig dat je als niet-ingewijde maar al te graag wilt geloven dat een club-avond er op deze manier uitziet. Dat is op zich al een prestatie, want zoals bij alle kunst is ook Kleins tentoonstelling, ondanks zijn rol als 'ervaringsdeskundige', niet de house-werkelijkheid, maar die werkelijkheid nagebouwd in een museum. Toch is er al snel een gevoel van vrolijkheid, ongeveer zoals op de kermis: door de kleuren, door de muziek waarop je lekker kunt lopen. De illusie werd pas weer getemperd toen ik mezelf in een van Kleins foto's weerspiegeld zag, en, daardoor gealarmeerd, mijn medebezoekers nog eens goed bekeek. Het gemiddelde Roxy-publiek ziet er vast wat anders uit.

Eigenlijk ligt het voor de hand om te voorspellen dat Micha Klein de nieuwe ster van de Nederlandse kunst gaat worden. Door zijn achtergrond heeft hij de juiste 'credit' om in een deel van de kunstwereld serieus genomen te worden. Tegelijk ziet zijn werk er zo behaagziek uit dat velen het graag boven de bank zullen hangen; als de tijd het underground-gevoel heeft uitgesleten zijn het nog steeds vrolijke, decoratieve plaatjes. Uiteindelijk zou het me zelfs niet verbazen als Klein de volgende loot aan de Corneille-Rob Scholte-stam zou blijken te zijn - en voor wie het is vergeten: ooit waren dat interessante kunstenaars.