Martin Scorsese reconstrueert de leerjaren van de Dalai Lama in Marokkaanse woestijn; Transcendent onderzoek naar geweldloosheid

Kundun. Regie: Martin Scorsese. Met: Tenzin Thuthob Tsarong, Gyurme Tethong, Tulku Jamyang Kunga Tenzin, Tenzin Yeshi Paichang, Tencho Gyalpo, Tsewang Migyur Khangsar, Sonam Phuntsok, Jamyang Tenzin. In: 20 theaters.

De slechtste reden om niet naar Martin Scorsese's Kundun te gaan is omdat het geen goede film zou zijn. Maar ook de overwegingen om zijn portret van de Dalai Lama wel te gaan zien zijn nauwelijks legitiemer. Kundun is om veel redenen geen geslaagde film. Wie genoten heeft van Jean-Jacques Annauds Seven Years in Tibet of Bernardo Bertolucci's Little Buddha zal nog de minste problemen met de film hebben. Evenals wie toch al dweepte met new age-gedachtengoed, boeddhistisch exotisme of om allerlei andere oprechte overwegingen bekend is met de door de Dalai Lama gepredikte principes van geweldloosheid en compassie.

Voor iedereen die zich afvraagt waarom nu juist Scorsese, de genadeloze chroniqueur van geweld en corruptie, de heimelijke verheerlijker van gangstermilieus en mafia-moraal, de nietsontziende analyticus van schuld en zondebesef, de verstokte katholiek die een blasfemisch gedachte film over de Christus-figuur kon maken, zich zo voor die Dalai Lama interesseert, zal de film interessanter zijn, maar ook moeilijker verteerbaar. Want er mag dan weinig verschil zijn tussen de manier waarop Jake La Motta, de prijswinnende bokser, obsessief en voortdurend met zichzelf in de clinch, wordt geportretteerd in Raging Bull of Travis Bickle uit Taxi Driver, de neurotische en onberekenbare wreker en de glimlachende monnik wiens leven evenzeer door geweld getekend is, maar die er zelf niet door aangeraakt lijkt te worden. En er zijn zeker overeenkomsten tussen de koele weelde van The Age of Innocence, de bedrieglijke chique van Casino en het vele rood en geel, de verre bergen en de wijdheid van het door Scorsese in Marokko gevonden Tibet, het zijn nu juist die al te voor de hand uitersten van dat spectrum die Kundun schematisch, ja zelfs simplistisch maken. Deels ligt dat aan het scenario van Melissa Mathison (E.T.!), een persoonlijke kennis van de Dalai Lama, die haar script eerbiedig baseerde op een reeks gesprekken die zij met hem had.

Dat Scorsese de heilige man desondanks kon laten zien als een vroegwijze peuter, een eigenwijze schooljongen en een dwarse puber, voordat hij in die verstandige adolescent veranderde waar de film afscheid van hem neemt, is dan ook een opluchting. Zeker in het eerste deel van de film wordt al te veel ernst en heiligheid vermeden, blijkt de boeddhistische devotie vooral veel humor, relativering en zelfs een bevrijdende banaliteit in te houden. En belangrijker: zijn ook de religieuze rituelen van deze vredelievende levenshouding niet gespeend van aardse, demonische en angstaanjagende kanten. Het geritualiseerde kloosterleven is voor de kleine Lhamo, zoals de veertiende reïncarnatie van de Dalai Lama door zijn ouders is genoemd, even gewelddadig en intimiderend als de misdaadmilieus die we Scorsese graag zien verfilmen. Des te knapper is het dat hij die wrede kanten van het boeddhisme kan laten zien zonder te vervallen in tendentieus gemopper.

Het is misschien ook wel een experiment van Scorsese, om na zo vaak en zo gedetailleerd te zijn doorgedrongen in de schaduwzijden van het menselijke bestaan, te zoeken naar een meer transcendente vorm daarvan. Dat Tibet onder de veertiende Dalai Lama door China werd ingelijfd, door Mao werd beschimpt, dat het merendeel van de kloosters werd verwoest, burgers werden vermoord en dat die Dalai Lama desondanks standvastig en nederig tegelijkertijd vast bleef houden aan zijn principes van geweldloosheid, het had door Scorsese bedacht kunnen worden. Dat hij dat kon laten zien zonder morele superioriteit uit te stralen en tegelijkertijd de toeschouwer in staat stelt om kritische kanttekeningen te plaatsen of op z'n minst vragen te stellen bij eenzijdige geweldloosheid, bewijst zijn superieure inzicht in de oorzaken van gewelddadigheid. Om al die dingen is Kundun de moeite waard.

Maar de overheersende Koyaanisqatsi-dreun van Philip Glass op de soundtrack en het naar het einde toenemende gratuite symbolisme van met gekleurd zand getekende mandala's die door wrede bezems en zwaarden worden vernietigd, zijn larmoyant en vaker ergerlijk. Dan valt de afweging tussen bij vlagen briljante inhoudelijke onderzoekingen naar de gewelddadige natuur van de mens en de leegheid van de daarvoor gekozen vorm in het nadeel van Kundun uit.