Markt bedreigt wetenschap

De marktgerichte ontwikkeling binnen de universiteit bedreigt de toekomst van de wetenschap, vinden Klaas Groenveld en Patrick van Schie. Er moet een kleinere universiteit komen, die zich louter toelegt op fundamenteel onderzoek en academische vorming, en die ruim gefinancierd wordt door de overheid.

De universiteiten zoeken in toenemende mate hun heil op de markt. Zij voelen zich daartoe gedwongen door achterblijvende overheidsfinanciering, maar worden er ook toe uitgenodigd door de samenleving. Zo verwoordde voormalig Shell-topman Herkströter een verlangen van menig ondernemer toen hij onlangs aan de universiteiten de 'kwaliteits'-eis stelde dat “afgestudeerden zodanig zijn opgeleid dat zij probleemloos op de arbeidsmarkt kunnen worden ingezet; dat zij, naast een grondige wetenschappelijke scholing, tevens zodanige beroepsgerichte kennis en vaardigheden hebben opgedaan dat zij nu en in de toekomst een nuttige bijdrage kunnen leveren aan de doelstellingen van het bedrijfsleven.” Vanuit bedrijfsleven en politiek is tevens met de regelmaat van de klok de roep om 'maatschappelijk relevant' onderzoek te horen, waarmee kennelijk wordt bedoeld dat de onderzoeksresultaten direct bruikbaar zijn dan wel de heersende opinies bevestigen.

Veel universiteitsbesturen gaan maar al te graag in op deze lokroep van de maatschappij. Zo hield de bestuursvoorzitter van de Utrechtse universiteit Veldhuis bij de opening van het academisch jaar een lofzang op de ondernemende universiteit. Zijn Tilburgse collega Van Rooy liet bij die gelegenheid blijken dat zij zich gelukkig prees dat de ouderwetse Von Humboldt-universiteit heeft plaatsgemaakt voor een marktgestuurde organisatie. En ook de Twentse rector magnificus Van Vught riep de universiteiten op zich meer tot de buitenwereld te richten.

Kunnen liberalen bij deze marktgerichte ontwikkeling tevreden achterover leunen? Wij menen van niet. Er is sprake van een slechte ontwikkeling. Marktwerking kan zeker zeer heilzaam zijn, maar zij behoort het terrein van wetenschappelijk onderzoek en onderwijs niet te beheersen. Niet voor niets hebben liberalen vanouds wetenschap en (algemeen vormend en wetenschappelijk) onderwijs niet alleen aan het initiatief en de inspanning van maatschappelijke krachten willen overlaten, maar er juist steevast voor geijverd dat ook de staat de zorg hiervoor op zich nam.

Niet voor niets heeft Von Humboldt, een Duitse liberaal die een uiterst beperkte reikwijdte voor de staat voorstond, overheidsgelden ingezet om universiteiten te vrijwaren van druk van buiten zodat wetenschappers zich op hun eigen onderzoeksvragen konden storten. Onderwijs en wetenschap behoren tot de kerntaken van een liberale staat, niet minder dan politie en rechtspraak.

Het concept van de 'ondernemende universiteit' klinkt reuze dynamisch en eigentijds, maar is - misschien wel juist daarom - gevaarlijk voor de toekomst van de wetenschap. Die gevaren liggen zowel voor het onderzoek als voor het onderwijs op de loer.

Het grootste gevaar dat het onderzoek bedreigt als de universiteiten zich meer en meer op de markt begeven, is dat fundamenteel onderzoek in de knel komt. Doorbraken in het wetenschappelijk denken komen slechts bij uitzondering tot stand door in te haken op de tijdgebonden vragen van burgers, bedrijven en overheden, en zeker niet door toepassing van reeds bestaande kennis en inzichten. Zonder de dromer die zich vastbijt in een 'rare' onderzoeksmaterie, of de 'nerd' die tot in den treure met schijnbaar zinloze proefnemingen bezig is, zal onderzoek niet grensverleggend kunnen zijn. Daarom is het een kwalijke zaak dat de staat de afgelopen periode aan wetenschappers productienormen heeft opgelegd.

Zeker, tot de jaren tachtig gebruikten sommige wetenschappers het ideaal van de ongebonden onderzoeker om te kunnen lanterfanten. Maar de nu bestaande publicatienormen (publish or perish) leiden veelal tot het naar buiten brengen van onvoldragen resultaten, of tot het in verschillende vormen publiceren van een en hetzelfde onderzoek in diverse tijdschriften omdat zo nu eenmaal punten worden 'gescoord'.

Daarbij komt dat voor het meeste technisch, natuurwetenschappelijk en medisch onderzoek wel geld van buiten de universiteiten is te genereren, maar dat vooral de geesteswetenschappen op de markt van de zogenoemde derde geldstroom het nakijken hebben. Dit verschijnsel ondergraaft de functie van de universiteit als een van de 'schatkamers' van onze beschaving. In een samenleving die toch al steeds korter vooruitblikt, is het des te noodzakelijker dat er plaatsen zijn waar ruimte is voor terugblik en bezinning.

Daarmee belanden we meteen bij één van de gevaren van marktgericht onderwijs. Studenten groeien meer dan ooit op in een wereld van snelle prikkels en instant-bevrediging. Hierdoor reeds gevormd tot betrekkelijk rusteloze en berekenende wezens, worden zij op de universiteit aangespoord tot het verzamelen van studiepunten met een op de arbeidsmarkt gericht 'vakkenpakket'. De aloude academische vorming kan evenwicht brengen, door de blik te verbreden en afstand en gezonde scepsis te creëren. Zo kan een zekere onthechting tot stand komen, die voorwaarde is voor daadwerkelijke individuele ontplooiing.

Voor de student is het kiezen van een opleiding op grond van perspectieven op de arbeidsmarkt bovendien vrij riskant. Hij of zij maakt dan immers een keuze niet op grond van werkelijke marktverhoudingen, maar op grond van schattingen van de verhoudingen zo'n vijf jaar later. Die verhoudingen kunnen dan drastisch gewijzigd zijn. Zo kwam iemand die vijf jaar geleden de postacademische lerarenopleiding afrondde meestal hooguit met tijdelijk, vervangend werk aan de slag. Inmiddels wordt een groot tekort aan leraren verwacht. Daartegenover schermen universitaire bestuurders momenteel met schattingen dat in het jaar 2002 bijna 50.000 academici te weinig zijn om aan de vraag van de markt te voldoen. Maar als Nederland niet immuun blijkt voor de economische crisis in de wereld buiten het Westen, kan over vier jaar evengoed een overschot aan universitair geschoolden bestaan.

Veel studenten zullen na het behalen van hun bul buiten de academische wereld belanden. Daarom zijn de opleidingen aangepast aan de eisen van de arbeidsmarkt. Soms ten goede: zo komen verbetering van presentatie en verhoging van de schrijfvaardigheid elk werk, ook de wetenschap, ten goede. Maar in veel gevallen is het academisch gehalte van de opleidingen in de knel geraakt. Het marktgericht maken van de opleidingen is uiteindelijk funest voor de top van de universitaire studenten, voor degenen die zijn gaan studeren uit nieuwsgierigheid en met de hoop een brede intellectuele vorming te ondergaan. Door de herinrichting van opleidingen en door andere interesses die bij het gros van hun mede-studenten bestaan, komen deze 'traditionele' studenten nog maar moeilijk aan hun trekken. Een universiteit die de 'traditionele' studenten uit het oog verliest, verliest het recht op het predikaat wetenschappelijk onderwijs. De behoefte aan beroepsgerichte opleidingen kan beter door het HBO worden vervuld.

Wij pleiten dus voor kleinere universiteiten, die zich weer toeleggen op fundamenteel onderzoek en academische vorming. Een deel van het huidige takenpakket zou moeten worden overgedaan aan bedrijven en HBO-instellingen. Die kleinere universiteiten moeten wel over voldoende middelen kunnen beschikken om hun opgeschoonde takenpakket naar behoren te vervullen. De staat moet niet krenterig zijn als het gaat om wetenschappelijk onderzoek en onderwijs. Nu speurt hij nog de pap na om te zien of de uitgegeven krenten daarin kunnen worden teruggevonden. Het is beter te genieten van het verrassingsmenu dat goede universiteiten zullen voorschotelen.