Mag Japan misschien even arrogant wezen?

'Japanners, laat u niet in de hoek zetten als een stelletje oorlogsmisdadigers, want de Geallieerden waren ook niet voor de poes.' Striptekenaar Yoshinori Kobayashi trekt ten strijde tegen de weg-met-onsmentaliteit.

TOKIO, 23 SEPT. 'De oorlog is nog steeds aan de gang, maar de huidige Japanners zijn een stel lafaards die buigen voor het buitenland.' Dit is in het kort de boodschap die de populaire Japanse striptekenaar Yoshinori Kobayashi zijn lezers deze zomer in het gezicht slingerde in zijn bestseller 'Verhandeling over de oorlog'. Ondanks het gezeur van buitenlanders over het Japanse oorlogsverleden is er wel degelijk reden om trots te zijn op Japan, zo schreeuwt Kobayashi de moderne Japanner in deze onzekere tijden toe. Het 382 pagina's dikke stripverhaal staat al drie maanden hoog in de boekentoptien en er zijn inmiddels meer dan 400.000 exemplaren van verkocht.

De huidige oorlog is volgens Kobayashi een 'informatieoorlog'. Inzet zijn de achtergrond van de echte oorlog, ruim vijftig jaar geleden, en de toenmalige daden van Japanners en hun tegenstanders. Kobayashi ageert fel tegen het heersende beeld dat alleen Japan zich zou hebben misdragen en de wereld daarvoor excuses verschuldigd zou zijn. “Ik wil in de eerste plaats de grote daden van onze voorouders eren, die hun leven hebben gewaagd voor het vaderland”, schrijft Kobayashi. Zijn interpretatie van de oorlog valt wellicht niet in goede aarde in Nederland, maar wel bij een deel van het Japanse publiek.

Kobayashi, geboren in 1953, is een fenomeen in de Japanse schrijverswereld. Zijn strips zijn geen vrijblijvend vertier, maar een actueel commentaar op de schandalen en leugens die de Japanse samenleving te bieden heeft. Op de noodzakelijke momenten verschijnt hij zelf in beeld met zijn motto 'Mag ik even arrogant wezen?!' en slingert hij zijn ongezouten mening richting lezer.

Kobayashi attaqueert ditmaal de zogenoemde 'liberalen' in Japan, die de oorlog zien als een complot van het Japanse leger en zich uitputten in excuses tegenover het buitenland. Volgens Kobayashi zijn deze 'liberalen' “geïndoctrineerd” door de Amerikaanse overwinnaars. Want als de oorlog slechts het resultaat was van een militair complot, waar waren dan de Japanners zelf? Deze Japanners vochten enthousiast mee, zoals ook Kobayashi's eigen grootvader. Achteraf de militairen de schuld geven en Amerika op de blote knieën danken voor het brengen van democratie, komt neer op het weglopen voor de eigen verantwoordelijkheid. En waarom zouden de Japanners daarvoor weglopen? Wie waren er nu eigenlijk een bedreiging: de Japanners of de Westerse imperialisten? Kobayashi kijkt naar de voorgeschiedenis en ziet Amerikanen die eerst alle indianen uitmoordden, vervolgens Hawaii innamen en begin deze eeuw op de Filippijnen stonden.

Pagina 4: Kamikaze-piloot als rolmodel

En dan waren er nog de Europese machten die de rest van Azië grotendeels beheersten. Wat hadden ze daar te zoeken?

Voor Kobayashi waren de racistische imperialisten uit het Westen de grote bedreiging voor Japan, dat het recht had voor zichzelf op te komen. In de wereld wordt Japan echter vrijwel unaniem gezien als 'de misdadiger', een veroordeling die kort na de oorlog op het Tokio-tribunaal is bezegeld. Dit is nu de inzet van de 'informatie-oorlog'. Deze strijd woedde ook deze zomer weer fel, zij het dat de Japanse bijdrage vrijwel uitsluitend in Japan zelf is te beluisteren.

In het middelpunt van deze 'oorlog' staat momenteel het boek The Rape of Nanking van de Chinees-Amerikaanse schrijfster Iris Chang, dat dit jaar in de Verenigde Staten een groot verkoopsucces was. Het boek behandelt de verovering van de Chinese stad Nanking in 1937 waarbij het Japanse leger volgens Chang zo'n driehonderdduizend Chinese burgers en militairen heeft vermoord. Dit is ook het cijfer dat de Chinese regering aanhoudt, maar wegens de chaos destijds bestaat er vanouds onenigheid over.

De Japanner Kobayashi is het in ieder geval niet met Chang eens. In zijn stripboek attaqueert hij The Rape of Nanking omdat de schrijfster “de Amerikaanse lezers bedondert met vervalste foto's”. Tegenover Changs beschuldiging van Japanse wandaden zet hij op zijn beurt verhalen over Chinezen die voetbalden met afgehakte hoofden van Japanse soldaten en Japanners op gruwelijke wijze van het leven beroofden.

Het commentaar van Kobayashi valt nog in het niet bij de reactie van politicoloog Kazuyoshi Hamada. Hij noemt het boek van de Chinees-Amerikaanse “anti-Japanse propaganda uit de koker van de Chinese regering”. Het artikel waarin hij dit poneert, verscheen niet in een obscuur blaadje van ultra-nationalisten, maar in het prestigieuze, conservatieve maandblad Bungei Shunju van deze maand. In zijn artikel traceert Hamada de financiële steun en informatievoorziening aan de schrijfster naar organisaties die geld ontvangen van de Chinese regering. Hamada ziet hierin niet slechts hulpvaardigheid, maar een Chinese operatie ter verbetering van China's imago.

De redenering van Hamada luidt als volgt: sinds het gewelddadig neerslaan van de studentenopstand in Peking in 1989 bestaat er in de Verenigde Staten, waar mensenrechten een geliefd thema zijn, een negatief beeld van China. Voorafgaand aan het bezoek van de Amerikaanse president Clinton aan China, eerder dit jaar, wilde Peking dit beeld oppoetsen. Zonder in eigen land iets te hoeven verbeteren, verlegde men de aandacht richting Japan door dat land af te schilderen als een nog gruwelijker misdadiger en de Chinezen als slachtoffer. “We hadden een gezamenlijke vijand nodig zodat de VS en China de handen ineen kunnen slaan; Japan dient als zondebok”, zo citeert Hamada een Chinees in Washington. Een jonge, fotogenieke dame om de gruwelverhalen aan de man te brengen - de 29-jarige schrijfster Chang - daar likten de Amerikaanse media hun vingers bij af. “Haar taak zit er inmiddels op. Ze heeft zich niet eens gerealiseerd dat ze is gemanipuleerd door een politieke organisatie”, aldus Hamada's Chinees.

Dit mag klinken als een vergezochte complottheorie, het achterliggende probleem is allereerst dat er onder historici geen overeenstemming bestaat over wat er tijdens de oorlog precies is gebeurd, met name in China. De oorlog is dan ook een geschikt instrument om de ander zwart te maken.

Ook de Japanse ambassadeur in de Verenigde Staten, Kunihiko Sato - die in het verleden heeft bewezen kritiek op Japan te kunnen velen - heeft het boek van Chang veroordeeld wegens “feitelijke fouten en een eenzijdige interpretatie”. Sato zou een debat met de schrijfster hebben willen aangaan, maar zag daarvan af na tegenwerking van zijn ondergeschikten. Volgens Hamada, in het eerder aangehaalde artikel, was een van de bezwaren van de ambassadestaf dat zo'n debat “een hoog risico geeft op een reactie van de Chinese regering”. Politieke gevoeligheden blijven een vrije discussie over de oorlog in de weg staan.

Naast juichende besprekingen in de VS heeft The Rape of Nanking ook daar kritiek losgemaakt in serieuze hoek. Zo klaagde de historicus David Kennedy van de Stanford Universiteit dat de schrijfster leunt op “aanklacht en woede, in plaats van analyse en begrip”. Achter deze houding ligt de “politiek van het lijden”, zo constateert Kennedy. Een beroep op slachtofferschap kan een open debat uiterst moeilijk maken.

Ook Kobayashi is niet vies van deze tactiek. Na Chinese wandaden te hebben gesteld tegenover Japanse - alsof deze elkaar zouden uitvlakken - kan hij het natuurlijk niet laten Amerika af te schilderen als misdadiger. Het werpen van atoombommen op Hiroshima en Nagasaki en de totale vernietiging van meer dan zestig Japanse steden met conventionele bombardementen was de werkelijke massamoord op onschuldige burgers tijdens de oorlog. Ook de manier waarop hij de opofferingsgezindheid van de kamikaze-piloten ten voorbeeld stelt aan de hedendaagse jeugd, die alleen denkt aan vervulling van de eigen materiële verlangens, is puur emotioneel. “Kijk eens hoe deze mensen bereid waren voor jullie te sterven!”, zo roept hij de verwende jeugd toe. En het werkt. Kobayashi laat in zijn kantoor honderden briefkaarten zien: “Veel lezers moesten huilen om het boek.”