Klengg!! Klengg!

De Hoge Veluwe is in september open tot 20.00 uur, in oktober tot 19.00 uur. Herten zijn vaak te zien vanaf de doodlopende zijweg naar de Compagnieberg.

De Veluwe herbergt gemiddeld één edelhert per 45 hectare, dus je krijgt ze niet zomaar te zien - behalve vanaf één bepaald stukje autoweg op De Hoge Veluwe. Vrijwel iedere avond tegen zonsondergang staan daar auto's en mensen met verrekijkers, en de plaatselijke herten zijn niet in het minst gealarmeerd. Wel alarmerend, voor de mannetjes althans, zijn andere mannetjes, althans tussen half september en half oktober. Zenuwachtig ronddravende roedels hindes worden dan verdeeld als ging het om olieboorconcessies. De herten (jargon voor mannelijke edelherten) produceren na elf maanden zwijgzaamheid klanken die lijken op het loeien van een koe, maar dan anders. Het doet denken aan een kotsende muis tienduizend maal versterkt en zes octaven lager. Slechte vergelijkingen, want 'burlen' is een van de mooiste geluiden die de Nederlandse natuur maakt. Ondertussen rennen de herten heen en weer, naar elkaar toe, om elkaar heen - en denderen nu en dan stevig met de geweien in elkaar. Gewonden vallen er hooguit per ongeluk, het is allemaal ritueel.

Afgelopen zaterdag omstreeks half acht lag één hert in het gras, 175 meter van de weg, en een halve kilometer links daarvan stond een andere schijnbaar doelloos op de hei. Ieder teken van een naderende confrontatie ontbrak, maar de verwachtingen bij het publiek waren des te groter. In de berm stonden zeker zeventig auto's en tweehonderd mensen, een record voor zover mijn ervaring op die plaats strekt.

Ineens trok het hert op de hei een sprint naar zijn liggende tegenstander, die snel in de hoeven kwam. Ook pakweg veertig hindes renden dicht opeen, als een lichtbruine golf, van de hei naar het gevechtsterrein. Een gedempt gejuich was hier en daar onder de kijkers te horen toen de twee herten na een paar omtrekkende bewegingen ineens frontaal op elkaar afrenden, met de koppen op het laatst naar de grond bogen. Klengg!! Klengg!! 'Ze kunnen ze toch ook delen', meende een dame met een grootstedelijk accent. Maar dan hadden die geweien natuurlijk geen zin, en in de evolutie moet alles een functie hebben.

Onder een stuk of vijftig moeflons op de hei bleven de onlusten niet onopgemerkt. Evolutionair is het nauwelijks te verklaren, maar ze staakten hun gegraas, spoedden zich naar het grasveldje waar het allemaal gebeurde, stelden zich in rijen op langs de randen, en gingen gewoon staan kijken - mogelijk herkauwend, maar dat was van tweehonderd meter ook met een kijker niet te zien. Zelfs het ergste kuddedier blijft in essentie een individu, en dat werd bewezen door een moeflonram die helemaal alleen op de hei bleef staan, de blik vrijwel permanent gericht op al die mensen en auto's. Hij bewees tevens een beetje te kunnen tellen, want alleen de aantallen van wat hij zag waren anders dan normaal.

Voor extra drama zorgde een derde hert door achter de eenzame moeflonram min of meer vanuit het niets op te duiken en naar de plaats van bonje te snellen, maar hij schoot op het laatst een dennenbos in en kwam er niet meer uit. Terwijl zijn twee vechtende soortgenoten een ondoorzichtig programma van rennen, burlen en geweigekletter afwerkten, draafden een of meer hindes - mogelijk giechelend, maar dat was niet te horen - af en toe naar de andere kant van het veld om achter een ander hert te gaan staan. Een soort puntentelling moet bij die keuze een rol hebben gespeeld, wat vreemd is omdat ze zelf natuurlijk de punten waren waarom het allemaal ging. Bij een stand van ongeveer 10-30 hield ik het voor gezien en fietste de negen kilometer terug naar Hoenderloo.

Geen mens of beest nog, alleen inzettende duisternis en snel optrekkende mist die de laatste zweem van paars ontnamen aan de bijna uitgebloeide hei. Stilte alom, behalve het snorrend gezoem van fietsband op fietspad - tot bij een klein dennenbos naast het smalle asfalt. Remmen, stilstaan, luisteren. Weer herten, al was er geen een te zien. Een of twee keer per minuut klonk een rauw geburl, als een slecht onderhouden brulboei of een gewonde tyrannosaurus of, als je wist wat het was, een hert in de bronsttijd. Verder dan vijftig meter kon hij niet zijn. Een tweede burlde enkele seconden later terug van veel verder weg, een derde reageerde uit een peilloze verte. Misschien antwoordden ze direct op elkaar en was alleen afstand verantwoordelijk voor de korte stiltes tussen hun onvertaalbare berichten. In het oosten weerkaatste de top van een torenhoge wolk een laatste rest zonlicht, enorme witte dekens drukten zich laag tegen vennen en hoog buntgras, en als de herten zwegen versmolt de komende nacht met een overweldigende afwezigheid van geluid.