Iran kan nog steeds niet om Khomeiny heen

De Iraanse president Khatami wil af van de affaire-Rushdie. Maar heeft hij het alleen voor het zeggen?

AMSTERDAM, 23 SEPT. President Mohammed Khatami van Iran heeft gisteren op een persconferentie in New York tegenover Westerse journalisten verklaard dat de Rushdie-affaire “als volledig gesloten moet worden beschouwd”. Iran wil, aldus president Khatami, weg van de culturele botsing met het Westen, als gevolg van de Rushdie-affaire. Want daardoor worden alleen maar de betrekkingen tussen de Islamitische Republiek Iran en Europa vergiftigd. Khatami gaf echter niet aan hoe de affaire moet worden afgesloten.

In wezen zei hij niets nieuws. Ook Khatami's voorganger, president Rafsanjani, stelde al vier jaar geleden dat de Iraanse overheid niets doet om de Britse schrijver Salman Rushdie te vermoorden, maar evenmin iets kan doen aan de fatwa (het religieuze dekreet) van wijlen Imam Khomeiny uit 1989. Daarin werden alle gelovige moslims in de wereld opgeroepen om Rushdie wegens belediging van de Profeet Mohammed te vermoorden. Deze fatwa heeft - aldus de Iraanse overheid - eeuwige geldigheid gekregen, aangezien alleen Imam Khomeiny de religieuze bevoegdheid had de fatwa te herroepen. Dat is echter onmogelijk omdat de Imam niet meer op deze aarde is.

Die opvatting is geheel in strijd met de gangbare principes van de shi'itische leer. Daarin wordt juist gesteld dat fatwa's bij het overlijden van de Groot-Ayatollah die ze heeft afgekondigd, hun geldigheid verliezen. Zulks opdat de leer voortdurend in het licht van Gods eeuwige beslissingen kan worden vernieuwd en bijgesteld.

Maar Imam Khomeiny was nu eenmaal de stichter van de Islamitische Republiek. Hij bepaalde dat het land voortaan bestuurd diende te worden door een onfeilbaar geachte Geestelijke Leider, die tevens de politieke Gids van de Natie was. Vanzelfsprekend werd hij de eerste figuur die beide posities met elkaar verenigde. Dat was een revolutionaire verandering in de shi'itische leer, die vele honderden jaren ervan was uitgegaan dat de geestelijkheid zich verre moest houden van de wereldlijke politiek, aangezien die per definitie slecht en corrumperend was.

Khomeiny's opvolger, ayatollah Khamenei, geniet bij de geestelijkheid lang niet hetzelfde aanzien en respect. De meeste Groot-Ayatollahs erkennen hem niet als hun gelijke, en zeker niet als hun meerdere. Zijn gezag wordt voortdurend aangevochten - reden waarom hij zich in de loop der jaren steeds krampachtiger ging opstellen. Uit alle macht probeert hij de erfenis van Imam Khomeiny te bestendigen, al was het maar om zichzelf als Leider staande te houden. Het is dan ook uitgesloten dat hij officieel Khomeiny's fatwa inzake Rushdie terugdraait, hoewel hij zich in het begin van de Rushdie-affaire verzoenend uitliet ... en daarover zelfs openlijk door Imam Khomeiny werd berispt.

De Westerse regeringen weten welke politieke problemen de Islamitische Republiek met de fatwa heeft. Daarom hebben zij Teheran herhaaldelijk verzocht de religieuze Khordad-Stichting onder druk te zetten, opdat deze zou afzien van de door haar toegezegde beloning van 2,5 miljoen dollar aan diegenen die Rushdie vermoorden. Als die beloning zou worden ingetrokken, zou men de Westerse publieke opinie kunnen zeggen dat de Rushdie-affaire de facto gesloten was.

Maar ook dat was teveel gevraagd. De Khordad-Stichting is in handen van hoge, zeer radicale geestelijken. Zij voeren een verbitterde strijd tegen president Khatami - en vóór hem ook al tegen president Rafsanjani - om hoe dan ook te verhinderen dat de Islamitische Republiek haar betrekkingen met het Westen verbetert. Want dan zouden de Krachten van de Arrogantie opnieuw hun tentakels naar Iran uitsteken en de waarden van de Islamitische Republiek corrumperen.

Westerse diplomaten in New York zeiden dan ook gisteren dat zij benieuwd zijn hoe Khatami's uitlatingen concreet zullen worden ingevuld.