Een Angelsaksische Rijnlander

Er valt veel voor te zeggen de twintigste eeuw de eeuw van de Oostenrijkers te noemen. De ondergang van de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie lag weliswaar mee aan de basis van de ergste conflicten die we hebben meegemaakt, maar het crisisbewustzijn dat daarmee samenging, leidde tot een ongemeen bloeiend intellectueel en cultureel leven. Weinig landen hebben dan ook een dergelijke bijdrage geleverd aan de intellectuele ontwikkeling van deze eeuw.

Het is meer opgemerkt dat de psychologie van Freud (en Jung), de taalfilosofie van Wittgenstein of de analytische filosofie van de Wiener Kreis slechts konden ontstaan in een burgerlijk-aristocratische wereld waar mythe en realiteit in die mate door elkaar liepen dat woorden eerder verhulden dan betekenden. Economen zoals (Von) Hayek en (Von) Mises bleken wellicht daardoor niet ontvankelijk voor het geloof in een rationale homo economicus bij de neo-klassieken of voor de mogelijkheid van economische planning bij de socialisten. Hun collega Schumpeter raakte op zeker ogenblik van dat laatste wel overtuigd, maar blijft toch vooral voortleven als de verdediger van de noodzakelijke innovatieve 'creatieve destructie' in het marktsysteem.

Toch was niet alles kommer en kwel in de dubbelmonarchie. Wie de historische romans van de Bosnische Nobelprijswinnaar Ivo Andric kent, herinnert zich wellicht de tegenstelling daarin tussen het wrede en parasitaire bestuur van het Turks-Ottomaanse Rijk in sommige delen van Joegoslavië tegenover de vrij efficiënte bureaucratie van de Oostenrijkers in andere delen. Misschien is het daarom niet toevallig dat een Oostenrijker de aanzet heeft gegeven tot de ontwikkeling van efficiënt bestuur en management als aparte discipline en, in het verlengde daarvan, ook als eerste de thematiek van de kenniseconomie prominent naar voren heeft gebracht: Peter Drucker.

Over hem heeft Jack Beatty, die als redacteur van The Atlantic Monthly geregeld op diens artikelen heeft gezwoegd, een welwillend kritische intellectuele biografie geschreven: The World According to Peter Drucker (1998,Free Press). Daarmee is het eindelijk mogelijk Druckers omvangrijke werk beter in perspectief te plaatsen.

Drucker, geboren in 1909, is jonger dan de reeds genoemde Oostenrijkers, maar heeft duidelijk meegeprofiteerd van dezelfde Weense sfeer. Zijn vader, een prominent econoom (bevriend met Schumpeter) en advocaat, organiseerde thuis wekelijks salons waar onder meer Thomas Mann uit zijn werk kwam voorlezen en Oskar Morgerstern, de latere grondlegger van de speltheorie, over psychologie discussieerde. Drucker ging al snel werken, eerst als expediteur in Hamburg, daarna als journalist in Frankfurt. Studeren (in eerste instantie rechten) deed hij in de avonduren. In een van zijn eerste wetenschappelijke papers voorspelde hij in 1929, een maand voor de Great Wall Street Crash, dat de beurs alleen maar omhoog kon gaan!

In 1933 verhuisde hij naar Londen, waar hij als econoom werkte bij enkele financiële bedrijven. In 1937 reisde hij door naar de Verenigde Staten, waar hij als intellectuele omnivoor zowel economie als politieke en sociale wetenschappen ging doceren.

Gaandeweg was hij erachter gekomen dat hij minder in de modellen van de economie geïnteresseerd was dan in het sociaal gedrag dat ermee samenhangt. Daarin werd hij ongetwijfeld gestimuleerd door collega-immigranten zoals de psycholoog Erich Fromm en de economische historicus Karl Polanyi, waarmee hij aanvankelijk samen in Vermont doceerde.

In 1939 verscheen zijn eerste boek, over het fascisme. In 1942 volgde The Future of Industrial Man, waarin hij aangaf dat ook de Verenigde Staten ontvankelijk voor het fascisme waren, tenzij gewerkt werd aan een sterker sociaal fundament voor het nog steeds 'wilde' industrieel systeem aldaar. Juist door die sociale bekommernis verzeilde Drucker, merkwaardig genoeg, in de bedrijfskunde! Want na de publicatie van dit laatste boek werd hij door een directeur van General Motors benaderd die zijn zorg deelde.

Dat leidde tot zijn grote studie over dit bedrijf (The Concept of the Corporation, 1945) waarin hij veel leerde over de mechanismen van het management. In het verlengde daarvan liggen zijn bekende basiswerken: The Practice of Management (1954), Management: Tasks, Responsibilities, Practices (1974) en Innovation and Entrepreneurship (1983) (zoals de meeste van zijn boeken enkele jaren geleden door HarperBusiness vrij goedkoop heruitgegeven).

Gaandeweg ontwikkelde Drucker zich zodoende tot de eerste echte managementgoeroe, die bijvoorbeeld thema's als flexibilisering en privatisering introduceerde. Misschien is daardoor zijn blijvende preoccupatie met het maatschappelijk welzijn onderbelicht gebleven.

Maar de verzameling van zijn beste essays gaf hij enkele jaren geleden bewust de titel The Ecological Vision mee (1993, Transaction), omdat hij zichzelf als een 'sociaal ecoloog' ziet, begaan met de sociale fundamenten van de economie.

Vanuit dat standpunt fulmineerde hij vorig jaar in Forbes (10-3-1997) nog tegen de hoge beloningen die topmanagers zichzelf toeëigenen. Daarmee ondermijnen ze hun gezag en legitimiteit, met name bij de mensen die ze het meest nodig hebben.

Drucker heeft zijn Europese sociale en intellectuele roots dan ook nooit verloochend. Daarmee combineert hij op originele wijze elementen van wat we sinds Michel Alberts Capitalisme contre capitalisme (1991, Seuil) het Angelsaksische en het Rijnlandse model van het kapitalisme noemen. Benieuwd wat hij van het Poldermodel zou vinden.