WO II-herinneringen

Vorig jaar is Shoichi Yokoi overleden, een onbekende Japanse WO II-soldaat, maar postuum wereldberoemd doordat The Economist een necrologie aan hem wijdde.

Terwijl de oorlog al lang was afgelopen, overleefde Shoichi Yokoi bijna 27 jaar in de bossen van Guam, een Amerikaans eilandje in de Stille Zuidzee. Hij at voornamelijk bessen, noten en soms een gebraden rat of kikker. Zijn schuilplaats werd ontdekt toen hij eens ging vissen en is inmiddels een soort bedevaartsoord voor Japanse oudstrijders. Toen ik dat las vroeg ik me af of zich in Papoea Nieuw Guinea ook nog enige Shoichi's schuilhielden. Dat zou best kunnen, want er zijn hier tijdens de oorlog honderdduizenden Japanners geweest en er is heel veel bos om je te verstoppen.

De Japanners vielen in 1942 Nieuw Guinea binnen. Rabaul op de oostkust van het eiland New Britain werd hun uitvalsbasis voor de Stille Zuidzee. Ze dachten vanuit Rabaul door te stoten naar Papoea in het zuiden, en uiteindelijk Australië. Dat is niet zo goed gelukt, maar ze hebben er wel erg veel moeite voor gedaan. Voor de Papoea's moet het bijzonder vreemd zijn geweest om te zien hoe Japanners, Australiërs en Amerikanen op hun grondgebied elkaar bevochten. Maar ze werden door de twee partijen ook gerecruteerd voor allerlei klussen en er zijn onder de Papoea's duizenden doden gevallen.

Resten van de oorlog zijn op diverse plekken te vinden. Vorig jaar waren we bij Madang op zoek naar enige neergestorte bommenwerpers. We waren er bijna een op het spoor toen een vrachtauto vol aluminium vliegtuigonderdelen het modderpad blokkeerde. Scrap metal buyers - PNG recycling stond er op de wagen. De chauffeur lachte ons vriendelijk toe en zei dat er verderop nog een vliegtuig lag. Temidden van gigantische bomen en naast een oude bomkrater, die veranderd was in een veenpoeltje waarin muggen broedden, lag een volledig met mos begroeide vliegmachine. Uit de cockpit groeide een grote hertshoornvaren.

Rond Rabaul zijn oorlogsresten van een geheel andere aard. Rabaul is gebouwd tegen de rand van een enorme caldera-wand en wordt omringd door verschillende actieve vulkanen. Die caldera-wand bestaat uit zacht gesteente en de Japanners hebben er honderden kilometers gangen in gegraven. Daar stopten ze kanonnen in of hielden zich schuil. Thans worden die tunnels wel gebruikt door inbrekers en autodieven en wie weet zit er nog ergens een Shoichi in verstopt. In 1994 werd de halve stad onder een dikke aslaag bedekt toen er twee vulkanen uitbarstten. Vrijwel alle gebouwen zijn toen ingestort, behalve het Japanse monument ter herdenking van de oorlogsslachtoffers. Het is ook wel degelijk gebouwd, met een betonnen dak van zo'n meter dikte. Niet nog een nederlaag, zullen de Japanse ontwerpers van het monument gedacht hebben.

Op de suikerrietplantage waar we onderzoek hebben gedaan naar bodemdegradatie, hebben we altijd voorzichtig te werk moeten gaan. Tijdens de oorlog was er een vliegveld dat uiteindelijk is gebombardeerd. Het gevaar bestond dat wij bodemkundigen met onze grote passie om gaten te boren en kuilen te graven wellicht op enige niet ontplofte projectielen zouden stuiten. We hebben onze passie niet kunnen intomen en er is ons niets overkomen. Wel vonden we in diepe rivierkleigrond een gehavend geweerhandvat.

Er zijn hier in de oorlog ook veel Amerikanen geweest. Die hadden een militaire basis op Manus-eiland, waar in totaal zo'n miljoen Amerikaanse soldaten gelegerd zijn geweest. Daar zaten ook Afro-Amerikanen tussen en van hele oude Papoea's heb ik begrepen dat ze dat heel vreemd vonden. Sommigen van die Afro-Amerikanen waren namelijk officieren en deelden bevelen uit.

Het was voor de Papoea's een eye opener dat er gelijkgekleurden bestonden die bevelen konden uitdelen. Ze waren namelijk gewend dat dat voorrecht alleen aan witten, zeg maar Australiërs, toebehoorde. Thans zijn er relatief veel Manus-mensen die hoge posities bekleden in Papoea Nieuw Guinea. Dat zal wel toevallig zijn, maar misschien heeft de oorlog het toeval een handje geholpen.