Vuilverbrandingsinstallatie

's Avonds, als de duizenden goudkleurige lichtjes branden, heeft het gebouw nog het meeste weg van een casino in Las Vegas. Overdag lijkt het van verre op een weelderig versierde moskee.

Alles had het kunnen zijn: een stadhuis, het hoofdkantoor van een multinational, een postmoderne interpretatie van de vele paleizen die de stad telt, maar dat het hier de vuilverbranding annex stadsverwarming van Wenen betrof is een complete verrassing.

Sinds een kleine tien jaar is niet meer de Stefansdom of het Reuzenrad in het Prater de belangrijkste landmark van de Oostenrijkse hoofdstad, maar de Fernwärme Wien, of Spittelau zoals het in de volksmond heet.

Vanuit zowat alle Bezirke van de stad grijnst het gebouw je tegemoet. De 130 meter hoge en felblauw betegelde schoorsteen is versierd met een aantal gouden ringen en een gouden bol. De gebouwen daaronder vallen op door hun kromme daklijsten, een onregelmatig patroon van zwarte en witte vlakken, de felgekleurde mozaieken en de gouden bollen op elke dakhoek. Als finishing touch ligt op het dak een duizend maal vergrote rood-blauwe pet: de 'handtekening' van de ontwerper.

Oorspronkelijk was Spittelau net zo grauw en lelijk als een vuilverbranding maar zijn kan. Een felle brand in mei 1987 markeerde het begin van de verandering. De brand veroorzaakte behalve grote schade aan het gebouw ook veel onrust bij de omwonenden. Spittelau ligt midden in Wenen en de angst voor de uitstoot van giftige gassen was groot. Toen het stadsbestuur besloot de installatie op dezelfde plek te herbouwen, volgde hevig protest van buurtbewoners.

Maar de belofte dat de herbouwde fabriek met de modernste zuiveringstechnieken zou worden uitgerust, deed de protesten al enigszins afnemen. Ze verstomden vrijwel geheel toen de toenmalige burgemeester van Wenen op het lumineuze idee kwam de kunstenaar Friedensreich Hundertwasser te vragen het grauwe gebouw een facelift te geven.

Hundertwasser begon zijn loopbaan als schilder - hij werd bekend met zijn mozaïek-achtige schilderijen - maar richtte zich later op architectuur. En wat voor architectuur - al zijn gebouwen zijn rijk geornamenteerd, felgekleurd en er is nauwelijks een rechte lijn in te ontdekken. De rechte lijn is van de duivel, vindt Hundertwasser.

Het kostte een jaar om Hundertwasser, fervent tegenstander van de wegwerpmaatschappij, te overtuigen van het nut van een vuilverbrandingsinstallatie. Maar toen hij 'om' was, gingen ook alle remmen los. Hundertwasser, zelf opgegroeid naast een fabriek, greep Spittelau aan om te ageren tegen wat hij noemt de onmenselijke architectuur van tegenwoordig, 'waar mensen gehuisvest zijn in gevangeniscellen en waar de steriele omgeving in fabrieken elke creativiteit bij de mens doodt'. Hundertwasser is geslaagd in zijn opzet: jaarlijks komen vele duizenden toeristen zich vergapen aan het uiterlijk van de huisvuilverbrandingsinstallatie.

Gek genoeg heeft Spittelau geen navolging gekregen. Dat de bazen van de fabrieken weinig op hebben met het ideeëngoed van Hundertwasser wekt weinig verbazing. Opmerkelijker is dat er geen politici zijn die het idee van de Weense burgemeester hebben nagevolgd: een nimby-voorziening (not in my backyard) verkopen door hem mooi aan te kleden. Nimby-objecten als ringwegen, vuilnisbelten, gevangenissen, asielcentra en afwerkplaatsen worden een stuk aanvaardbaarder door een kunstenaar in te schakelen. Een door Christo ingepakte gevangenis is een stuk aangenamer om naar te kijken en een door Karel Appel beschilderde afwerkplaats zou wel eens een toeristische trekpleister kunnen worden.