Oorlogskunst in collecties van vijftien musea

AMSTERDAM, 22 SEPT. Zeker vijftien Nederlandse musea hebben tijdens of kort na de Tweede Wereldoorlog kunstwerken toegevoegd aan hun collecties, die mogelijk afkomstig zijn uit joods bezit. Dat is de uitkomst van een onderzoek van de Nederlandse Museumvereniging (NMV) onder haar leden.

Van de 385 musea die lid zijn van de NMV reageerden er 240 op een oproep van de vereniging te onderzoeken of zich in hun collecties mogelijk geroofd of geconfisqueerd bezit bevond. Bij vijftien musea bleek nader onderzoek nodig. Meestal gaat het om transacties met kunsthandelaren en veilinghuizen waarvan bekend is dat zij geconfisqueerd joods bezit verkochten. De NMV gaat nu samen met de Inspectie Cultuurbezit van het ministerie van OCW een vervolgonderzoek uitvoeren.

In afwachting van dat vervolgonderzoek wil een woordvoerder van de NVM niet zeggen om welke vijftien musea en om hoeveeel kunstwerken het gaat. Het vervolgonderzoek zal lastig zijn, zegt hij wel, omdat veel archieven vernietigd zijn.

Uit het onderzoek, dat werd uitgevoerd door een commissie onder leiding van directeur Ronald de Leeuw van het Rijksmuseum, is ook gebleken dat enkele Nederlandse musea in de periode 1940-1945 joods bezit tijdelijk in bewaring namen. Dat gebeurde vaak in de vorm van een schenking of tijdelijke aankoop, om te voorkomen dat de bezittingen door de Duitsers in beslag werden genomen. In drie gevallen is het kunstbezit niet aan de eigenaren of hun erfgenamen teruggegeven. Ook deze gevallen worden nader onderzocht.