Nieuw museum voor Chinese kunst in centrum van Shanghai; Een zacht schijnsel van jade

Op het duurste stuk grond In Shanghai staat een nieuw, modern museum waarin een omvangrijke collectie Chinese kunst is ondergebracht. Jarenlang is er door de directeuren bij het stadsbestuur voor gepleit. “Shanghai is de rest van China ver vooruit,” zegt vice-directeur Zhou Yanqun.

SHANGHAI, 22 SEPT. Voor een stad die zich wenst te meten met steden als New York, Parijs en Londen, is materiële welvaart niet genoeg. Dat is de naar Chinese maatstaven progressieve opvatting van het stadsbestuur van de oost-Chinese havenstad Shanghai. Het bestuur wenst meer aandacht te besteden aan 'de geestelijke rijkdom' van de stad. Of, om met Shanghai's burgemeester Xu Kuangdi te spreken, “we kunnen niet een economisch invloedrijke stad worden en een culturele woestijn blijven. Daarom heeft onze stad het duurste stuk grond aangewezen als plek voor een museum en een operagebouw dat het grootste van Azië zal worden.” Shanghai, zo heet het, moet het commerciële én culturele centrum van China worden - dat wat New York voor de Verenigde Staten is.

“Shanghai is de rest van China ver vooruit”, zegt Zhou Yanqun, vice-directeur van het twee jaar geleden geopende Shanghai Museum, doelend op de culturele voortrekkersrol van de stad. Het nieuwe museum is het overtuigend bewijs. Dat een stad, geobsedeerd door vernieuwing en snelle winst, bereid bleek een van de meest begeerde stukken grond in haar centrum op te offeren voor een museum en niet voor een commercieel zakencentrum, is veelbetekenend.

“Het communistische leiderschap hecht veel waarde aan culturele scholing. Chinezen behoren te weten wat de Chinese identiteit voor hen betekent. Met name jongen mensen. Ze weten alleen iets over de cultuur uit het Westen, maar niets van het Chinese verleden. Daarom bestaat dit museum”, zegt Zhou. “Vroeger werd van hogerhand bepaald wat mooi was. Nu het museum er is, kan het publiek zelf een mening vormen.”

Het museum beschikt, zeker voor Chinese begrippen, over een adembenemende overtuigingskracht. Het is uitzonderlijk mooi en zowel van binnen als van buiten getuigt het van creativiteit, zorg en smaak. Er is veel geld geïnvesteerd om de bijzondere collectie Chinese kunst onder te brengen in een gebouw dat eruit ziet als een bronzen urn. Volgens de architect symboliseert de vierkante doos met rond dak het Chinese gezegde dat de hemel rond is en de aarde vierkant. De critici houden het op een reusachtige spuugbak. Het is hoe dan ook een gebouw dat opvalt in een land waar de standaard een geraamte van gestaald beton, glimmende raamdelen en een imitatie tempeldak is.

De bouw heeft 142 miljoen gulden gekost. Een bedrag dat grotendeels is betaald door de overheid, maar dat dankzij de creatieve geest van de twee initiatiefnemers van het museum, de kunstspecialisten Wang Qingzheng en Ma Chengyuan tevens is bekostigd met sponsorgelden - een unicum in China. Beiden moeten over een behoorlijke portie overtuigingskracht hebben beschikt, want toen het project 48 miljoen gulden boven de begroting uitkwam, sprong het stadsbestuur royaal bij; het nam alle extra kosten voor zijn rekening.

De collectie bestaat uit 120.000 objecten. Daarvan wordt tien procent, met grote zorg, gepresenteerd. In het Shanghai museum lijkt niets op de nonchalante methoden van conservatie en presentatie die gangbaar zijn in de meeste Chinese musea. De bezoekers hoeven op de tweede verdieping slechts een schaars verlichte rolschildering uit de Song dynastie te naderen, of het licht neemt automatisch in sterkte toe. Als de bezoeker de helle kleuren en fijne streken heeft bekeken en wegloopt, dimt het licht vanzelf, opdat het duizend jaar oude werk niet te lang wordt blootgesteld aan het felle licht.

Overal in het museum is op een fijnzinnige manier gebruik gemaakt van kunstlicht en glas. Drieduizend jaar oude voorwerpen van jade lijken in de lucht te zweven en het groen van het steen geeft dankzij een zorgvuldige geplaatste bundel licht een zacht schijnsel af. In de zaal met bronskunst staan grote trommels en wijnvaten, en onder een van die vaten verraadt een spiegel dat het tevens dienst moeten hebben gedaan als klok.

De mooiste ruimte is die van de oude Chinese beeldhouwkunst. Hier staan beelden uit de 16de eeuw voor Christus, aardewerken muzikanten van omstreeks het begin van de jaartelling en talloze graffiguren uit de periode van de Tang-dynastie (618-907). Ze staan opgesteld op zwarte sokkels tegen een donkerrode achtergrond. Stenen boeddhabeelden worden geflankeerd door houten schotten in de vorm van lotusbladeren.

De collectie en presentatie is grotendeels te danken aan de directeuren Wang en Ma. Beiden hebben een lange geschiedenis bij het in 1952 geopende museum achter de rug en hebben jarenlang bij het stadsbestuur gepleit voor een nieuw gebouw. Vice-directeur Zhou vertelt dat Wang en Ma daar de nodige risico's voor hebben gelopen. Zo zouden zij er persoonlijk voor hebben ingestaan dat de collectie niet is verdwenen in de destructieve handen van de politieke activisten uit de jaren zestig en zeventig. Ma Chengyuan zou de Rode Gardisten de toegang tot het toenmalige gebouw hebben geweigerd en de veiligheidsbeamten zouden in zijn opdracht plunderende gardisten ervan hebben overtuigd het culturele erfgoed zoveel mogelijk te sparen. Doodsbange kunstverzamelaars en handelaren brachten hun collecties ter bescherming bij het museum onder en Ma en anderen verbleven maandenlang dag en nacht in het museum, in de hoop met hun aanwezigheid de gardisten buiten de deur te houden.

Toen halverwege de jaren zeventig de Culturele Revolutie ten einde liep, maakten Wang en Ma voor het eerst kennis met musea in het buitenland. Een bezoek aan het Metropolitan Museum in New York in 1980 maakte diepe indruk. Gesterkt door de ervaringen in het buitenland wisten de beide directeuren het stadsbestuur tien jaar later van hun plan te overtuigen. Ze beloofden via een in China nooit eerder vertoonde methode van sponsorgelden en schenkingen, twintig miljoen gulden voor de inrichting van veertien geplande tentoonstellingszalen in te zamelen, en het stadsbestuur betaalde de rest.

Volgens vice-directeur Zhou hebben donaties van invloedrijke kunstliefhebbers uit het buitenland bijgedragen tot het vertrouwen van het stadsbestuur in de plannen. Zhou vertelt dat flink wat financiële steun afkomstig is van overzeese Shanghainezen en buitenlanders die voor 1949 in Shanghai hebben gewoond. Zo is één van de zalen, die voor de kunst van de etnische minderheden, geheel gefinancierd door de Kadoorie familie - Iraanse joden die voor de communistische machtsovername in 1949 fortuinen hebben verdiend in Shanghai.

Nu het museum er eenmaal staat, rest het museumbestuur en de gemeente de lastige taak het gebouw en de collectie te onderhouden. Volgens Zhou kost dat dagelijks 25.000 gulden en aan de twee tot drieduizend bezoekers die het per dag ontvangt, heeft het museum financieel niet genoeg. Maar ook hier springt de overheid bij en zolang zij dat blijft doen valt niets te vrezen. “Het Shanghai Museum draagt bij tot het herstel van Shanghai's reputatie en het aantrekken van internationale belangstelling”, zegt Zhou. “Dat is het bestuur van de stad wat waard. Dat hebben ze inmiddels wel voldoende aangetoond.”