NEW YORK REVIEW OF BOOKS

De New York Review of Books verschijnt elke twee weken en is verkrijgbaar in de kiosk. www.nybooks.com

China is al sinds 1981 bezig zichzelf economisch te hervormen. Dat lukte goed, gezien een gemiddelde groei van tien procent per jaar tot 1991, en van twaalf procent in de periode tot nu toe. Het gemiddelde persoonlijke inkomen verdrievoudigde van 1981 tot 1991 en verdubbelde in de periode daarna. In dezelfde tijdsspanne mislukten grote delen van de oogst door hun gebruik van namaak-kunstmest, groeide het drugsgebruik, groeide de kinderhandel, nam de corruptie hand over hand toe, en nam de vervuiling schrikbarende vormen aan.

In de New York Review of Books brengen Liu Binyan en Perry Link beide aspecten van China's ontwikkeling met elkaar in verband. De auteurs zijn verbonden aan Princeton University. Ze schreven hun artikel aan de hand van een kritische studie die eerder dit jaar, met goedkeuring van de autoriteiten, verscheen in Peking. Ze vermoeden dat die toestemming er gekomen is omdat de huidige machthebbers het imago van Deng Xiao Peng willen beschadigen ten gunste van hun eigen positie.

De studie van He Quinglin toont aan, dat de veel bejubelde Chinese hervormingen niet veel meer zijn geweest dan een proces waarin de machthebbers en hun trawanten de publieke goederen hebben geplunderd en dat de nieuwe welvaart niet het resultaat is van productiviteitsgroei maar van bezitsoverdracht die vooral plaats vond in de grote steden. De studie betoogt verder dat de hervormende managers de winsten in eigen zak steken en de verliezen van hun onderneming afwentelen op de staat.

Deze bedrijven lossen zelden hun leningen af. Volgens de officiële cijfers gaat het om twintig procent van alle leningen, maar omdat de banken maar een deel van hun slechte leningen publiek maken kan dat aandeel best veertig of zestig procent zijn. In Guangdong bijvoorbeeld rapporteerden de staatsbanken dit voorjaar 200 miljard yuan aan slechte schulden, terwijl inspecteurs uit Peking tot een schatting kwamen die meer dan vier keer zo hoog was. Naar internationale maatstaven gerekend zijn de Chinese banken al bankroet.

In de jaren negentig hebben de staatsondernemers 60 miljard dollar gebruikt voor particuliere investeringen, onder andere in onroerend goed. Op dit moment staat zeventig procent van de nieuwe gebouwen leeg. Deze vertegenwoordigen een waarde van 12 miljard dollar. Om al die redenen is de kracht van de Chinese munt niet zozeer te danken aan de sterkte van de economie alswel aan de regulering die de geldhandel beperkt.