Kwaliteit

De opsomming is het stijlmiddel bij uitstek van de Troonrede. Zet een paar begrippen achter elkaar, voeg er aan toe dat ze centraal staan en het kan al gauw een gedachte lijken. Bij de opsomming valt de toehoorder aangenaam in slaap met het vertrouwen dat het schip van staat in goede handen is.

De veelbesproken rede waarmee staatssecretaris van cultuur Rick van der Ploeg het theaterseizoen opende werd 'State of the Union' genoemd. Het was dus ook een soort troonrede en het stijlmiddel van de opsomming, hoe zal ik het zeggen, laat ik het me makkelijk maken: het stond centraal. Vaak waren het opsommingen van leuke moderne dingen zoals de disco, de Free Record Shop en het Internet. Er was ook een curieuze opsomming van uitvindingen: “Ik ben geboren toen de televisie haar intrede deed. Daarvoor waren er alleen film en radio. Toen kwamen televisie, platenspeler, bandrecorder, videorecorder, cd-speler, cd-rom en Internet.“

We missen nog de draagbare telefoon en de digitale camera, maar geen opsomming kan uitputtend zijn. De intrede van de televisie wordt nogal slordig gedateerd, vind ik. Van der Ploeg werd geboren in 1956. Toen zond de Nederlandse televisie al vijf jaar uit. Beslist bizar is de bewering van de staatssecretaris dat hij de platenspeler tijdens zijn leven heeft zien komen. Die is uit de negentiende eeuw. Het kan toch niet zo zijn (zie hoe besmettelijk de Haagse retoriek is) dat Van der Ploeg nog nooit van Edison gehoord heeft, of dat hij denkt dat die een tijdgenoot van hem is? Nee, dat kan niet. Het ligt aan het stijlmiddel van de opsomming, een verdovend middel dat niet alleen de toehoorders slaperig maakt, maar ook de spreker. In halfslaap rijgt hij zijn termen aaneen, zonder goed op te letten wat hij eigenlijk opsomt.

Het ligt ook aan Van der Ploeg, die een onoverkomelijke onwil lijkt te hebben om met enige nauwkeurigheid te zeggen wat hij bedoelt. Als hij wat lijkt te zeggen, neemt hij het een tijdje later weer terug.

“Vermeende objectieve kwaliteit wordt in de beoordeling een steeds moeilijker te hanteren en te verdedigen uitgangspunt voor subsidietoekenning. Kwaliteit, als norm in handen van deskundigen die het kunstbeleid moeten legitimeren, is bij uitstek een ideologisch bepaalde term geworden.“

Weg met die zogenaamde deskundigen die hun elitaire ideologie onder het mom van objectiviteit verkopen, lijkt de boodschap. Ho, ho, dat gaat zomaar niet, heeft een bedaard ambtenaar hem misschien ingefluisterd. Aan het eind van de toespraak is die deskundige, die net nog verbannen leek, weer terug als een van de wisselende partners van de dansende overheid “om met zijn onmisbare kwaliteitsoordeel een stuk van het kunstbeleid te legitimeren.“ Dan is ideologie onder het mom van objectiviteit opeens onmisbaar geworden. Voortdurend moeten kunstenaars van alles en nog wat van Van der Ploeg. De markt opgaan, een nieuw publiek vinden, snel en eigentijds monteren. Aan het eind wordt dan weer gezegd dat de kunst er niet alleen voor ons allen is, maar ook voor zichzelf.

Het is moeilijk om er je tanden in te zetten. Hij zegt niet veel, maar hij toont een mentaliteit. Het Engelse gebrabbel over aristocracy en democracy, alsof het begrippen zijn die Nederland nooit bereikt hebben, de jeugdverering, nogal krampachtig van een man die de uitvinding van de grammofoon nog heeft meegemaakt, de smalende minachting voor de 'ouweknarrenmuziek' in de concertzaal, weliswaar in de mond gelegd van een denkbeeldige jongere, maar wel met begrip en stille instemming, en dan later het slappe smoesje dat het maar vragen waren die hij stelde en dat vragen nooit aanmatigend kunnen zijn volgens Oscar Wilde. “Wilt u de totale oorlog?“ vroeg een politicus. Als hij Van der Ploeg zou heten zou hij achteraf zeggen: “Ach, het was maar een vraag.“

Een vlot modern patsertje lijkt deze staatssecretaris. Wat hij demonstreert is de verwoestende kracht die een zinkend cultuurgoed kan hebben als het eenmaal de regering heeft bereikt.

Het is al lang een standaardgedachte van een min of meer avant-gardistische sociologie. De gedachte dat er in de kunst geen objectief begrip van kwaliteit kan bestaan. Dat 'kwaliteit' slechts een ideologisch begrip is waarmee de welgestelden zich van het grauw kunnen distanti¨eren. In de natuurkunde bestaat ook zo iets. Het idee dat er in de wetenschap geen echte vooruitgang is, alleen een wisseling van 'paradigma's' die onderling gelijkwaardig zijn. En, daaruit voortvloeiend, de gedachte dat er niet echt gesproken kan worden over een werkelijkheid die buiten de theorie¨en bestaat en waarover iets gezegd kan worden dat de waarheid steeds beter benadert. Er is geen waarheid, de waarheid is een ideologische constructie. Deze gedachte heeft veel invloed gekregen, hoewel niet onder natuurkundigen.

De aantrekkelijkheid van deze speels subversieve theorie¨en ligt er vooral in dat je weet dat ze niet kunnen kloppen. Bach is beter dan de Rolling Stones en de relativiteitstheorie van Einstein verklaart meer dan de mechanica van Newton. Maar het is aardig om de hi¨erarchie op postmodernistische manier te relativeren, als een intellectueel spel.

Totdat het postmodernistische relativisme doordringt tot een overheid die toch al een onrustbarend nihilisme toont in zaken van kennis, verstand en gevoel. Als het echt waar zou zijn dat er in de kunst geen objectieve kwaliteit zou bestaan, alleen maar sociaal bepaalde smaakverschillen, dan is er ook geen reden meer om welke kunstvorm dan ook te subsidi¨eren. Het enige criterium dat dan overblijft, is de markt en de meeste stemmen. Maar voor de kunst van de meeste stemmen is overheidssteun niet nodig.

En wat voor reden zou er nog kunnen zijn om fundamenteel natuurkundig onderzoek uit te laten voeren, als dat niet een zoeken naar waarheid zou zijn, maar slechts een soort schaken of dammen, waarin de waarheid alleen maar bestaat binnen een willekeurig gekozen regelsysteem. Er is geen grond meer voor dat onderzoek, en het wordt dan ook steeds meer ontmoedigd. Bij de overheid gaan postmodern relativisme en klassieke zuinigheid goed samen.