Arts krijgt les in fatsoen bij omgang met patiënt

Het Academisch Medisch Centrum gaat artsen-in- opleiding vanaf volgend studiejaar toetsen op hun communicatieve vaardigheden. Wie zakt, moet zijn studie afbreken.

AMSTERDAM, 22 SEPT. De nurkse arts is een bekend verschijnsel. Toen deze krant lezers in 1995 verzocht 'ziekenhuiservaringen' te rapporteren kwam een stortvloed van post op gang die wekenlang aanhield. Nadat een gynaecoloog bij een lezer uit Den Haag een 'eendebek' had ingebracht, merkte hij op: 'Nog nooit zo'n grote erin gehad?', gevolgd door de opmerking: 'Hoeveel nummertjes maak je per week?'. Een lezer uit Hengelo, die eind jaren zeventig in het ziekenhuis lag voor een kwaadaardige tumor, kreeg op de vraag naar zijn genezingskansen van zijn chirurg te horen: 'Ach, als de Russen komen is het ook afgelopen!'

Het Academisch Medisch Centrum (AMC) in Amsterdam gaat artsen-in-opleiding trainen in 'attitude' en 'communicatieve vaardigheden'. Vanaf september 1999 zullen zij in hun vijfde jaar tweemaal worden getoetst door een specialist, een verpleegkundige en een medisch psycholoog. De studenten kunnen scoren op onder meer 'fatsoen en respect', 'adequate informatie geven', 'omgaan met emoties' en 'inzicht in eigen emoties, normen, waarden en vooroordelen'. Wie zakt voor de herkansing zal de studie geneeskunde niet meer kunnen afmaken.

Volgens prof. S.A. Danner van het AMC, nauw betrokken bij de vernieuwing van de artsenopleiding, is het hoog tijd voor zo'n toets. “Zaken die voor het Medisch Tuchtcollege komen, betreffen in grote meerderheid miscommunicatie. Het zijn heus niet allemaal artsen die een verkeerd been hebben afgezet.” De Stichting Ondersteuning Klachtopvang Gezondheidszorg ontving vorig jaar 317 klachten over 'bejegening' van de patiënt; 171 gericht tegen huisartsen, 68 tegen specialisten, de rest tegen andere hulpverleners.

Tot nu toe werkte het onderwijs volgens medewerkers van het AMC een verkeerde houding van artsen in de hand. Vaak krijgt de student zijn eerste patiënt te zien in de snijzaal van het anatomisch laboratorium. “Dat deze eerste patiënt volledig passief is, tegen geen enkele behandeling bezwaar kan maken en geen vragen kan stellen getuigt van enige morbide symboliek”, aldus AMC-medewerkers in 1994 in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde. “Het kadaver lijkt in vele opzichten een ideale patiënt te zijn en lijkt voor de student een prototype dat onbewust verwachtingen ten aanzien van gewenst gedrag van levende patiënten bepaalt.”

Danner schat dat ongeveer 1 procent van de studenten door de 'attitudetoets' zal afvallen. “Het gaat om uitzonderingsgevallen.”

Pagina 2: Afvallers gaan naar laboratorium

Danner: “We hebben een keer een jongen gehad uit een derde-wereldland, een heel andere cultuur, die volstrekt niet in staat was te geloven dat vrouwen gelijk zijn aan mannen. Zowel tegenover de verpleging als tegenover de patiënten was dat een probleem.”

Voor de afvallers, die dan al ruim vier jaar geneeskunde hebben gestudeerd, zal volgens Danner worden gezocht naar “een andere medische bezigheid”, bijvoorbeeld in een laboratorium. In een ander ziekenhuis zullen zij waarschijnlijk niet terecht kunnen. Een werkgroep genaamd Consilium Abeundi ('Raad om te vertrekken') van het Discipline-Overlegorgaan Medische Wetenschappen bestudeert sinds maart de juridische mogelijkheden voor een landelijke regeling om studenten die tekortschieten in 'de algehele klinische competentie' de laan uit te sturen. G. Knol, voorzitter van de Landelijke Vereniging van Assistenten Geneeskunde (LVAG) en gynaecoloog-in-opleiding, vindt de toets “op zich niet zo slecht”, maar vraagt zich af of de 'attitude' van de arts wel valt te toetsen. Hij kan zich niet herinneren zelf tijdens zijn opleiding tien jaar geleden les te hebben gehad in slecht-nieuwsgesprekken. Een visitatiecommissie voor de medische opleidingen constateerde eind vorig jaar dat ook toen nog veel te verbeteren viel aan het aanleren van de juiste beroepshouding. Volgens de commissie zouden studenten deze vorming moeten krijgen in de kliniek en niet in de collegezaal, zoals nu al wel gebeurt.

Juist de opleiders in de kliniek (in de meeste gevallen zittende medisch-specialisten) beseffen onvoldoende dat de gewenste houding kan worden bijgebracht door studenten op de juiste momenten te leren adequaat te reageren, aldus AMC-medewerkers in het Nederlands Tijdschrift voor geneeskunde in 1994. “De eerste confrontatie met het lichaam van een overledene, met een ongeneeslijk zieke, met een stervende patiënt, het voor het eerst moeten verrichten van medische handelingen die pijn of ongemak veroorzaken zijn voor een student 'kritische momenten' die hem niet onberoerd laten”, zo stellen zij. “De student die niet wordt begeleid bij het zoeken naar het juiste evenwicht tussen (over)identificatie, sympathie en betrokkenheid enerzijds en onpersoonlijkheid, afstandelijkheid en ongeïnteresseerdheid anderzijds zal moeite blijven houden met het vinden van gedrag dat gekenmerkt wordt door professionaliteit en empathie.”

Het artikel verscheen ruim een half jaar nadat een 'raamplan voor de artsenopleiding' aan de medische faculteiten was voorgelegd. Het plan was een poging een aantal feilen van de artsenopleiding weg te werken. In dit plan werden voor het eerst landelijk geldende eisen geformuleerd waaraan studenten moeten voldoen voor ze zich arts mogen noemen.