Architectuurinstituut

De rechterlijke uitspraak in het kort geding dat beeldend kunstenaar Peter Struycken had aangespannen tegen het Nederlands Architectuurinstituut heeft tot verontrusting geleid onder architecten, meldt NRC Handelsblad op 16 september.

Het lijkt erop dat deze uitspraak een polariserende uitwerking heeft als je de reacties van Chris Dercon van het Boijmans van Beuningen en Rijksbouwmeester Wytze Patijn leest. “Als een kunstenaar het recht heeft ontwikkelingen in een stad tegen te gaan, dan kan dat wel eens tot gevolg hebben dat opdrachtgevers en architecten liever geen kunst bij hun gebouw willen hebben.” Het kan nooit de bedoeling van Struycken zijn geweest om de rechter te laten uitmaken wie er het meest te vertellen heeft in de openbare ruimte. Het gaat hem niet om macht of het buitenspel zetten van opdrachtgevers. Ik denk dat hij alleen de steun van de rechter heeft gezocht om duidelijk te maken dat een kunstenaar die in de openbare ruimte een kunstwerk maakt, een van de mensen is die verantwoordelijk zijn voor het gezicht van een stad en als zodanig ook serieus genomen dienen te worden. Wanneer er wordt nagedacht over het bouwen of verbouwen in een stad wordt er door vele betrokken mensen overleg gepleegd. Uiteindelijk wordt er gebouwd volgens een zorgvuldig uitgedokterd plan. Het is gebruikelijk dat daarna de kunstenaar de boel mag komen versieren of de foutjes die er in het ontwerp zijn geslopen, weg te weken. Kunstenaars hebben dat stigma en Struycken probeert dat naar mijn mening terecht aan te kaarten.

Als gebouwen met de tijd mee moeten groeien en aan veranderingen onderhevig zijn, dan betekent dat dat er voortdurend overleg is over die veranderingen. Er is geen verbouwing mogelijk zonder welstandscommissie en bouwvergunning. Het is dan toch vanzelfsprekend dat de betreffende kunstenaar daarbij wordt betrokken. En het is toch ook vanzelfsprekend dat er zorgvuldigheid wordt betracht indien er beslissingen moeten worden genomen die een bij het gebouw behorend kunstwerk betreffen.

Het zijn met name opdrachtgevers en museumdirecteuren die er een zwaar verouderde opvatting over beeldende kunst op na houden waarin zij de kunstenaar en het kunstwerk per definitie een autonome rol toekennen. Als een kunstenaar in die rol aan de bel trekt dan wordt ineens duidelijk welke absurde plaats wordt gegeven aan kunst in de openbare ruimte.