Alle aandacht gaat naar mooie taal in 'Bérénice'

Voorstelling: Bérénice, van Jean Racine, door De Tijd. Regie: Johan Van Assche. Spel: Warre Borgmans, Pierre Callens, Elsie de Brauw, Johan Van Lierde, Jeroen Willems. Gezien: 19/9 Goudse Schouwburg. Tournee t/m 7/11. Inl. (020) 622 94 41.

'Mijn hart gekliefd/ waarom toch ben ik keizer/ en waarom verliefd'. Krachtiger had Titus zijn dilemma niet kunnen schetsen. Titus, keizer van Rome, houdt van Bérénice, de koningin van Palestina: hij heeft haar oprecht trouw gezworen. Maar de republikeinse senaat duldt geen koningin en het volk verzet zich tegen een vorstin van oosterse afkomst. Wat moet Titus doen? Er met Bérénice vandoor gaan en het land aan de chaos overlaten, zo'n optie past niet bij een man met verantwoordelijkheden. Dus zit er niets anders op dan het huwelijk af te blazen.

Jean Racine's treurspel Bérénice is een lange, slepende finale: een aarzelend maar onverbiddelijk afscheid. Wat we op het toneel zien gebeuren gaat net zo moeizaam als in het echte leven en net zo tergend traag. Fatsoenlijke mensen hebben nu eenmaal veel tijd nodig om zich van geliefden te ontdoen. Er moeten pleisters op de wonden worden geplakt, er moet begrip voor de situatie worden gekweekt. Er moeten vooral veel zelfrechtvaardigingen worden bedacht.

En dan is er in Bérénice nog een derde, die ook zo zijn gevoeligheden heeft. Antiochus, koning van Comagene, is zowel een trouwe strijdmakker van Titus als een stille aanbidder van Bérénice. Door de opdracht die Titus hem geeft geraakt ook hij in een dilemma. Want dat hij Titus' besluit aan Bérénice moet mededelen komt neer op het opknappen van een smerig karwei, maar de mogelijkheid samen met haar te vertrekken biedt een onverwachts sprankje hoop.

Racine heeft altijd op de eenvoud van zijn tragedie gewezen, en inderdaad: voor een drama uit 1670 steekt de intrige simpel in elkaar. De schrijver zag af van obligate zelfmoorden en omslachtige bodeberichten en hield het aantal personages gering. Maar de psychologie van die personages is razend ingewikkeld.

Zo is het ook in de voorstelling van het Vlaamse gezelschap De Tijd. Alleen al van het decor straalt strenge eenvoud af. Een zwarte vloer, een grijze gekantelde achterwand waarin de schimmen van de acteurs verkleind te zien zijn: meer opsmuk acht regisseur Johan Van Assche niet nodig. Spektakel vermijdt hij zorgvuldig. De spelers die aan de beurt zijn, zitten ofwel op een harde stoel ofwel op een krukje en zij die niet aan de beurt zijn kijken vanaf de zijlijn rustig toe. De kostuums zijn onopvallend netjes, lichtwisselingen schaars en muziek komt er sowieso niet aan te pas.

Alle aandacht gaat naar de prachtige taal. Langzaam, waardig en vlekkeloos draagt men Racine's alexandrijnen voor, in de licht-archaïsche en heldere vertaling van Laurens Spoor. Meestal zijn er maar twee acteurs tegelijk bezig, soms ook slechts één: alweer een bijdrage aan Racine's streven naar eenvoud. Maar wat een emotionele nuances bevatten die zo kalmpjes voorbijtrekkende dia- en monologen! Nooit zag en hoorde ik zoveel verschillende pogingen om branden te blussen, geschillen te sussen, woede te smoren en passies in rechte banen te leiden.

Juist omdat deze vorstelijke personen eigenlijk zo gewoontjes zijn, staat hun een onuitputtelijke voorraad aan omtrekkende bewegingen, compromis-voorstellen en conflictbeheersingstechnieken ter beschikking. De gemiddelde mens probeert zijn driften de baas te blijven en extremen uit de weg te gaan: en hij gaat naar het theater voor die extremen, voor verterende passie, nietsontziende wreedheid en andere ongezonde en onverstandige dingen.

Bérénice is dan ook een gewaagd toneelstuk en een gewaagde voorstelling. Elsie de Brauw als de titelfiguur, Warre Borgmans als Titus en Jeroen Willems als Antiochus spelen precies zoals je aardige maar weinig heroïsche figuren spelen móet: zonder overdreven veel energie en met als enige vurige wens zo snel mogelijk in de status quo te berusten. In wezen spelen zij perfect - en ook een beetje saai omdat ze nooit eens lekker uit de bocht vliegen.