Van Dijke (RPF): alle zonden zijn gelijk

Leen van Dijke, streng-christelijk fractieleider van de RPF in de Tweede Kamer, staat morgen terecht wegens belediging van homoseksuelen. De kans op een veroordeling is volgens juristen niet groot.

ROTTERDAM, 21 SEPT. L.C. (Leen) van Dijke staat morgen voor de rechter in Den Haag wegens belediging van homoseksuelen. De voorzitter van de RPF-fractie in de Tweede Kamer zal naar het Paleis van Justitie worden vergezeld door zijn 12-jarige zoon. Van Dijke: “De zaak heeft mij persoonlijk grote schade berokkend, ook binnen het gezin. Toen het twee jaar geleden begon te spelen, barstte die jongen in huilen uit, omdat hij zijn vader al in de gevangenis zag belanden. Hij is er heel erg mee bezig en hij wil per se het proces bijwonen.”

Aanleiding voor de rechtszaak is een vraaggesprek met de journalisten Frénk van der Linden en Pieter Webeling. Op 24 juni 1996 werd het gepubliceerd in Nieuwe Revu. Op een vraag wat hij ervan vindt dat de Evangelische Omroep homoseksuelen weert, antwoordt Van Dijke dat hij voor het aannemen van homoseksuelen geen belemmering ziet, mits ze zich niet bezondigen aan de homoseksuele praxis. Van Dijke: “Ik denk dat je onderscheid moet maken tussen de homoseksuele praxis - die ik afwijs - en homoseksuelen als zodanig. Ik verwerp fraudeurs ook niet compleet omdat ze fraude bedrijven.”

Als de interviewers hem voorhouden dat hij hiermee homoseksuelen en fraudeurs op één lijn stelt, antwoordt Van Dijke: “Wij christenen hebben een geweldig kwalijke eigenschap ontwikkeld: we brengen ten onrechte gradaties aan in Gods geboden. Alsof je erg en minder erg hebt! Maar waarom zou stelen, bijvoorbeeld uitkeringen pikken van de overheid, minder erg zijn dan het zondigen tegen het zevende gebod? Ja, waarom zou een praktiserend homoseksueel beter zijn dan een dief?”

Vrijwel onmiddellijk na de publicatie spraken zes fractievoorzitters in de Tweede Kamer (van PvdA, VVD, D66, GroenLinks, Senioren 2000 en SP) wezen Van Dijke erop dat de Grondwet discriminatie verbiedt en dat bekleders van openbare ambten die discrimineren op grond van bijvoorbeeld homoseksualiteit strafbaar zijn.

Van Dijke stuurde meteen daarop een open brief waarin hij zijn uitspraken verduidelijkt en zijn excuus maakt aan alle homoseksuelen die zich door de uitspraken gekwetst zouden voelen. Van Dijke had inmiddels geweldige spijt dat hij de tekst van het vraaggesprek voorafgaand aan publicatie niet zelf had gelezen, maar dat overliet aan een voorlichter van de RPF-fractie. Van Dijke: “Zo had het daar nooit mogen staan. Ik had het moeten zien, ik heb het niet gezien, ik heb het laten passeren.”

Wat hij in het vraaggesprek duidelijk heeft willen maken, zegt Van Dijke nu, is dat hij geen bezwaar heeft tegen homo's zolang ze hun seksuele voorkeur maar niet praktiseren, maar dat in het algemeen de kerk eigenlijk veel te vaak nadruk legt op seksuele vergrijpen en fraude ten onrechte als een veel minder zware zonde opvat. Van Dijke: “Als een meisje voor het huwelijk zwanger is, moet zij voor in de kerk haar zonden belijden. Maar als een ouderling fraude pleegt, kan die later weer gewoon blijven werken. Ik heb willen zeggen dat alle zonden gelijk zijn.”

Van der Linden, winnaar van de Prijs voor de Dagbladjournalistiek 1998, nam het vraaggesprek op band op. Tot vijf keer toe kreeg hij het verzoek van justitie om de de banden van het interview af te staan, hetgeen hij weigerde. Justitie besloot aanvankelijk tot een voorwaardelijk sepot, waarbij een rol speelde dat Van Dijke een excuusbrief had geschreven. Maar het gerechtshof verwees de zaak terug naar de rechtbank, na een klacht over het sepot van de stichting Azimut, gespecialiseerd in het aanklagen van mensen die homo's discrimineren.

Van Dijke staat terecht voor een delict zoals omschreven in artikel 137c in het Wetboek van Strafrecht, het beledigingsartikel dat in 1991 werd aangescherpt en uitgebreid met belediging van mensen met een hetero- of homoseksuele gerichtheid. Het is volgens advocaat S.O. Voogt van Van Dijke voor het eerst dat iemand is aangeklaagd op grond van dit artikel.

Mr. S.A.M. Stolwijk, hoogleraar strafrecht aan de Universiteit van Amsterdam, noemt de zaak-Van Dijke “interessant” wegens het conflict tussen enerzijds godsdienstvrijheid en de daarmee samenhangende vrijheid van meningsuiting en anderzijds de belediging. Stolwijk: “Geloofsovertuiging is over het algemeen geen grond voor strafuitsluiting. Het geloof is meestal geen vrijbrief om van alles en nog wat te zeggen. Meneer Van Dijke had ten slotte ook zijn mond kunnen houden. Maar het is de vraag of deze formulering wel zo beledigend is. Er moet sprake zijn van een uitdrukkelijke bedoeling om te beledigen, er moet opzet in het spel zijn. Dat meneer Van Dijke een excuusbrief heeft geschreven, zou erop wijzen dat hij zijn uitspraak niet beledigend heeft bedoeld.”

Justitie heeft geen sterke zaak, meent dr. F. Janssens, docent strafrecht aan de Rijksuniversiteit Groningen en onlangs gepromoveerd op het onderwerp strafbare belediging. Janssens: “Een uitspraak is pas beledigend als iemand de uitdrukkelijke bedoeling heeft om groepen mensen die een sociale kwetsbaarheid hebben, als minderwaardig voor te stellen en in een kwaad daglicht te stellen. Dat lijkt hier niet het geval, omdat Van Dijke vooral duidelijk heeft willen maken dat hij als gelovige geen rangorde ziet in de tien geboden. Ik zie er de belediging niet van in.”

Janssens vindt dat justitie de vervolging wegens belediging moet beperken tot de “grove gevallen”, waartoe hij bijvoorbeeld de uitlatingen rekent van mr. G.B.J. Hiltermann voor de AVRO-radio begin juni over asielzoekers. Letterlijk zei hij: “Mij schijnt het toe dat als die quasi-asielzoekers, in wezen profiteurs, zich niet in onze samenleving willen invoegen, maar zich als etnische profiteurs in hun eigen wereldje willen handhaven, dat ze dat in hun eigen land moeten doen. Er is in Turkije, in Marokko, in Afrika en Suriname ruimte genoeg.”

Cineast en columnist Theo van Gogh, zelf veelvuldig beschuldigd van beledigen, vindt dat Van Dijke moet worden vrijgesproken. “Hij moet kunnen zeggen wat hij wil.” Zelf kreeg Van Gogh onlangs een klacht van christenen omdat hij, doelend op Jezus Christus, had geschreven over “die rotte vis van Nazareth”. Van Gogh: “Het recht op belediging zou in hoge eer moeten staan. Zowel christenen als islamieten zouden veel vaker beledigd moeten worden. Geloof is de bron van alle kwaad.”

Ook Frénk van der Linden hoopt dat Van Dijke wordt vrijgesproken. Van der Linden: “Ik vind het een rotopmerking, maar Van Dijke had met zijn uitlatingen wel een uitstekende intentie. Hij wilde mensen in zijn kerkelijke omgeving tot de orde roepen. Volgens hem maken ze zich ten onrechte drukker over homo's dan over dieven en fraudeurs. Bovendien kun je de groep mensen die hij zou hebben beledigd toch moeilijk kwetsbaar noemen. Homoseksuelen behoren in Nederland tot een goedgebekte minderheid die prima voor zichzelf kan opkomen.”