Rabbijn in 'niet-joodse' stad

“Het wordt niet makkelijk”, zegt Jehoeda Vorst vanuit Engeland. Vorige week werd de 28-jarige rabbijn benoemd in Rotterdam. Hij begint over een paar maanden.

Makkelijk zal het zeker niet worden. Rotterdam is geen 'joodse stad', zoals Amsterdam. De problemen in de Maasstad zijn exemplarisch voor de rest van het land. De orthodox-joodse gemeenschap (driehonderd leden) vergrijst. Jongeren voelen zich aangetrokken tot de liberale gemeenschap, die zich meer aanpast aan de tijdsgeest. En voor beide stromingen geldt dat een steeds kleiner deel van de joden in Nederland ook daadwerkelijk (actief) lid is.

Het gebrek aan nieuwe leden is niet het enige probleem. In de afgelopen jaren werd de orthodox-joodse gemeente in Rotterdam ook geteisterd door veel bestuurswisselingen, mogelijke samenwerking met andere gemeenten en zelfs een 'rabbijn-vacuüm'.

Vorsts voorganger L. van de Kamp vertrok in 1996 om een reis- en evenementenbureau te beginnen. Ruim twee jaar had de orthodox-joodse gemeente in Rotterdam geen eigen rabbijn. En ook vóór Van de Kamp was er lange tijd een gebrek aan continuïteit. Dat moet met de aanstelling van Vorst veranderen.

“In principe zal ik heel lang in Rotterdam blijven, dat is de bedoeling”, zegt hij. Zijn grootvader, Levi Vorst, was twaalf jaar (van 1959 tot 1971) opperrabbijn in Rotterdam. Zijn vader, Ies Vorst, is al sinds 1964 rabbijn in Amstelveen.

De nieuwe Rotterdamse rabbijn wil doen wat zijn vader ook in Amstelveen heeft gedaan: de orthodox-joodse gemeenschap uitbreiden. Maar, geeft hij toe, Rotterdam heeft waarschijnlijk “minder potentieel” dan Amstelveen aan het begin van de jaren zestig had. Omdat hij twijfelde, heeft hij het gevraagd aan vrienden en bekenden: is er een mogelijkheid iets op te bouwen in Rotterdam? Het antwoord was bevestigend, maar er werd wel bij verteld dat het niet eenvoudig zou zijn.

Maar ergens rabbijn worden en werken aan de groei van de plaatselijke orthodox-joodse gemeente is waar Vorst naar toe heeft geleefd. Op zijn dertiende ging hij naar een yeshiva (hogeschool voor het jodendom) nabij Parijs. Sindsdien heeft hij gewoond, geleerd en gewerkt in New York (bijna zeven jaar) en Sydney. Hij werd voor korte tijd uitgezonden naar Minsk en Moskou. Sinds 1996 geeft hij les aan een meisjesseminarium in Bournemouth, Engeland. “Al het verhuizen, studeren en werken was eigenlijk om mij voor te bereiden op de taak waar ik nu voor sta. Ik beschouw het als een uitdaging.”

Dat past bij de leer van zijn vader en de stroming binnen het orthodoxe jodendom waarvan Vorst een volgeling is: de lubavitsch chassidiem. De orthodoxie valt uiteen in de midnagdiem (die streng in de leer zijn en nooit een rabbijn zullen verheerlijken) en de chassidische joden (die meer op 'beleving' zijn gericht). De lubavitsch chassidiem staan onder meer bekend om hun sterke nadruk op het uitbreiden van de gemeenschap, het benaderen van joden die geen lid zijn. Zieltjes winnen is dat zeker niet, volgens Vorst. “Het gaat erom mensen het gevoel te geven dat ze erbij horen.”

In Rotterdam wil hij dit doen op de manier waarop hij ook in Minsk, Moskou en Sydney te werk ging: activiteiten organiseren, joodse les geven op zondag en vooral veel mensen bezoeken. De personal basis, zoals het in het centrum van de lubavitsch chassidiem, in Brooklyn, New York, wordt genoemd. De rabbijn die de beweging groot maakte, Rav Schneerson, stuurde jonge rabbijnen (zoals Vorst) naar afgelegen gebieden om de kennis van het jodendom te verspreiden.

Voor Nederland is de nieuwe Rotterdamse rabbijn niet exceptioneel jong. Vier jaar geleden werd in Den Haag de 27-jarige S. Katzman uit New York benoemd.

Maar Vorst zal niet alle functies van een rabbijn vervullen. Hij zal optreden als voorzanger (chazzan) in de synagoge, als voorlezer van de tora-rollen (ba'al koree) en als hoofd van het joodse onderwijs in Rotterdam. Maar de zogeheten halachische verantwoordelijkheid (bijvoorbeeld vragen over wat wel of niet kosjer is) blijft bij de Amsterdamse rabbijn R. Evers.

Vorst: “Dat maakt mij niet uit. Het probleem in Rotterdam is het gebrek aan mankracht, aan één iemand die de kar trekt. Dat wil ik gaan doen. De bezwaren heb ik opzij gezet. Welke? Nou, in Rotterdam is bijvoorbeeld geen joodse school, dus ik zal mijn twee kinderen elke dag naar Den Haag moeten brengen.”