H.A. GOMPERTS (1915-1998); De ideale criticus

ROTTERDAM, 21 SEPT. Henri Albert ('Hans') Gomperts was een van de weinige schrijvers die de negentiende-eeuwse betekenis van het begrip 'dilettant' gestalte wisten te geven. Dilettanten, zo vermeldt de Moderne Encyclopedie van Wereldliteratuur 'staan open voor alle ideeën en verhoudingen zonder voor een daarvan partij te kiezen; zij gebruiken de ideeën als voorwerpen tot intellectuele genieting zonder er ooit hun ziel aan te verpanden, zodat zij steeds “beschikbaar” blijven'. Deze houding, tot uiting komend in een liefde voor de literatuur die vrij was van zucht naar literaire roem, maakte van Gomperts, die vrijdag op 82-jarige leeftijd overleed in Frankrijk, de ideale criticus. Hij was te nieuwsgierig en tegelijk te sceptisch om zich in te graven in een specialisme.

Toen Gomperts na een studie in de rechten, voortijdig afgebroken vanwege de Duitse inval in mei 1940, geen juridische loopbaan volgde maar van de letterkunde zijn dagelijks werk maakte, toonde hij in zijn omgang met boeken een lichtvoetigheid die hem ervoor behoedde de literatuur al te ernstig te nemen. De afkeer van alles wat naar gewichtigdoenerij en vaktaal zweemde, deelde hij met de mannen van Forum. Hoewel hij zelf nooit in dat tijdschrift publiceerde, ging Gomperts in de tweede helft van de jaren dertig gelden als de meest talentrijke vertegenwoordiger van wat Ter Braak en Du Perron hun 'jongelingschap' noemden. Hij maakte naam in Propria cures met de brochure Catastrofe der scholastiek, een vlijmscherpe analyse van de argumentatietrant van Forum-bestrijder Anton van Duinkerken. In 1939 kreeg zijn dichtbundel Dingtaal, waarin hij zich zwierig tot het dilettantisme bekende, een positief onthaal.

In de meidagen van 1940 wist Gomperts per schip naar Engeland te ontkomen. In Londen kreeg hij een ambtelijke functie bij de Nederlandse regering in ballingschap. Na de bevrijding trad hij in dienst bij Het Parool, dat hem als correspondent naar Parijs stuurde. In 1948 richtte hij samen met W.F. van Leeuwen een literair tijdschrift op. Libertinage nam stelling tegen de existentialistische somberheid die uit Frankrijk was komen overwaaien, en tegen de communistische sympathieën die kort na 1945 onder veel kunstenaars en intellectuelen gemeengoed waren. Het politieke 'schipperen' was door het verloop van de Tweede Wereldoorlog voorgoed onmogelijk geworden; een keuze, voor het atlantisch bondgenootschap in dit geval, was onvermijdelijk.

In 1949 publiceerde Gomperts Jagen om te leven, dat vier jaar later werd bekroond met de Wijnaendts Franckenprijs. Na zijn Parijse correspondentschap ging hij voor Het Parool literatuur- en daarna ook toneelrecensies schrijven. In de jaren zestig verrichtte hij pionierswerk door voor de televisie een aantal indringende schrijversportretten te maken.

Hoewel hij in zijn hoedanigheid van toonaangevend criticus werd gevraagd mee te werken aan het tijdschrift Merlyn (1962-1966), hield hij zich buiten deze (als sanering van de literaire kritiek bedoelde) onderneming. De reden voor zijn afzijdigheid bleek toen hij in 1966 zijn ambt als hoogleraar in de moderne Nederlandse letterkunde aanvaardde met de oratie Twee wegen in de literaire kritiek. De zogenaamd 'ergocentrische' benadering van de literatuur, waarbij uitsluitend tekstuele argumenten mogen gelden, zag hij als het amputeren van interpretatieve mogelijkheden. Zelf was hij veel meer geïnteresseerd in het geheel van de mogelijkheden waarmee een schrijvende persoonlijkheid zich in het werk uitspreekt.

Hoewel hij tijdens zijn Leidse periode, die van 1965 tot 1981 duurde, weinig nieuw werk publiceerde, gaf hij een aantal geïnspireerde hoorcolleges, waarin hij zich een subtiel en scherpzinnig lezer toonde. Zijn verlegenheid, ook tegenover studenten, maskeerde hij met een zekere afstandelijkheid, maar wie hem wat beter leerde kennen, had in hem een zeer betrokken leermeester.

In 1979 beantwoordde hij de aanval die Karel van het Reve had ingezet op de literatuurwetenschap. Gomperts was net als Van het Reve wars van opgeblazen pretenties, maar hij wenste zijn vak te verdedigen tegen de aantijging dat het onwetenschappelijk zou zijn. Grandeur en misère van de literatuurwetenschap neemt daarmee een tussenpositie in tussen de literatuurkritiek en de academische literatuurbeschouwing. In de Angelsaksische landen wordt zo'n positie als vanzelfsprekend geaccepteerd, maar in Nederland wil men nu eenmaal graag alles verkavelen, ook het literaire domein. Dat maakte het universitaire verblijf voor de dilettant die Gomperts was zeker niet gemakkelijker. Hij moet zijn emeritaat dan ook als een bevrijding hebben ervaren.