Gosse Oosterhof maakte expositie in Slot Loevestein en Gorcums Museum; 'Kunstenaars willen te veel ophangen'

In Slot Loevestein en het Gorcums Museum is een expositie te zien van vierentwintig internationaal bekende kunstenaars. De expositie is gemaakt door Gosse Oosterhof. “De meeste kunstenaars maken hun beste werk voor hun 35ste”, zegt hij.

Tot 16 november in Slot Loevestein en het Gorcums Museum. Di t/m za 10-17u, zo 11-17u.

BRAKEL, 21 SEPT. Hij omschrijft zichzelf als nieuwsgierig en rusteloos. “Ik moet er steeds op uit, weg”, zegt Gosse Oosterhof. “Ik wil zien wat er morgen gebeurt. Na de opening van deze tentoonstelling vertrek ik naar New York. Ik ben een kampioen in het bezoeken van ateliers. Soms is de aanleiding niet meer dan een piepklein fotootje in een kunstblad. En als iemand mij belt of een serieuze brief schrijft ga ik altijd naar zijn werk kijken.”

De tentoonstelling waar Oosterhof (55) het over heeft heet Wat van waarde is... en is te zien in Slot Loevestein en het Gorcums Museum. Vierentwintig bekende internationale kunstenaars, onder wie Anselm Kiefer, Richard Long, Cy Twombly, Brice Marden, Panamarenko en Giuseppe Penone, exposeren daar hoogtepunten uit hun oeuvre. De Nederlandse deelnemers aan de tentoonstelling zijn Jan Dibbets, Ger van Elk, Daan van Golden en Carel Visser. Gosse Oosterhof maakte de expositie samen met Jan Donia.

Oosterhof (55), tentoonstellingsmaker van beroep, heeft in Nederland een groot aantal spraakmakende exposities van eigentijdse kunst op zijn naam staan, waaronder Horn of Plenty in het Stedelijk Museum met zestien jonge Amerikaanse kunstenaars (1989), en WATT, een stand van zaken in de internationale hedendaagse kunst in kunstcentrum Witte de With in Rotterdam (1994). Voor het eerst maakt hij nu een expositie van oudere kunst, voor een belangrijk deel uit de jaren zeventig en tachtig.

“In Gorcum laten we sleutelwerken zien”, zegt Oosterhof, “kunstwerken die de kunstgeschiedenis bepalen of op zijn minst annoteren. We zijn er niet in geslaagd alle werken te krijgen die we hadden willen hebben, zoals de glazen tafel van Luciano Fabro of het schilderij Black Market van Robert Rauschenberg, maar het meeste is toch wel gelukt. De meeste kunstenaars maken hun beste werk tussen hun dertigste en vijfendertigste jaar: ze komen van de academie, zijn op zoek, en sommigen vinden dan iets. De geëxposeerde werken zijn allemaal vroeg in de loopbaan van de kunstenaars ontstaan.”

De expositie is niet bedoeld om een beeld te geven van een periode, stelt Oosterhof. “Het is geen terugblik. Het zijn zaken waar wij voor staan, die een standaard aangeven. Er zitten geen iconen in zoals wij dat noemen, kunstwerken die de hele wereld zijn rondgegaan op affiches, placemats en ansichtkaarten.

Warhol, Nauman en Beuys zijn er daarom niet bij. Ook Keith Haring niet, al ben ik erg op zijn werk gesteld; in 1974 maakte ik in 't Venster de eerste solotentoonstelling die hij ooit had.''

Vier jaar geleden nam Oosterhof, die als jurist is opgeleid maar al in zijn studententijd in Amsterdam begon met het maken van tentoonstellingen, zijn ontslag als hoofdconservator bij kunstcentrum Witte de With in Rotterdam. Hij opende vervolgens een wijnzaak. “De wijnwinkel liep goed maar ik heb hem een jaar geleden van de hand gedaan toen ik het contract tekende voor deze tentoonstelling in Slot Loevestein.”

Vanaf 1974 leidde Oosterhof 't Venster, een door de stad Rotterdam gesubsidieerd tentoonstellingsinstituut, dat later opging in Witte de With. Maar hij heeft nooit directeur van een instituut willen zijn: “Ik ben geen manager. Ik heb hele goede directeuren gehad die mij de vrije hand gaven en mij veel lieten reizen. In de jaren zeventig en tachtig was dat Adriaan van der Staay, directeur van de Rotterdamse Kunststichting, een fantastische man die het hele Rotterdamse culturele leven op poten heeft gezet. Hij stichtte bijvoorbeeld Poetry en het Filmfestival, en 't Venster deed ik. Ook het jaar in het Stedelijk Museum, toen ik die expositie met Amerikanen maakte voor Wim Beeren, was prachtig.”

Drie à vier keer per jaar maakt Oosterhof een tentoonstelling in de drie expositiezalen van het Rotterdamse kunstenaarscomplex Kaus Australis. Oosterhof: “Ik vind het heerlijk om in ateliers te zijn: de locaties, die klaslokalen en grote loodsen waarvoor je zes keer de weg moet vragen, en de discussies. En dan het maken van de tentoonstelling, je hebt er steeds ruzie over. Kunstenaars willen altijd te veel ophangen, en 't liefst dat wat ze gisteren hebben gemaakt. Je moet dan zeggen: over mijn lijk, ik doe het niet. Je moet reduceren.” Lachend voegt hij er aan toe: “Het woord zegt het al: cureren, genezen. Ik ben een curator.”

Veel van de deelnemers aan Wat van waarde is ... zijn eerder door Oosterhof gebracht in 't Venster. De selectie voor deze expositie van louter topwerken is even eigenzinnig als het beleid dat hij in Rotterdam voerde. Naast sterren als Frank Stella en Cindy Sherman doet de vrijwel onbekende Zwitserse kunstenaar Hans-Peter Feldmann mee, en als enige videoartiest kozen Oosterhof en Donia de Engelsman Douglas Gordon. Oosterhof heeft niet het idee dat er op dit moment ergens iets echt nieuws en belangrijks gebeurt in de kunst. “In 1984 bijvoorbeeld maakte ik in 't Venster de expositie De verzegelde bron, met onder anderen Günther Forg en Thomas Schütte. Het ging over de architectuur als bron van inspiratie voor de beeldende kunst. Op dat moment was iedereen wilde wolven en schapen aan het schilderen, het was de tijd van de Wilde Blicke. Ik ruik het als er een omslag is. Maar nu niet.”