Buigen voor vogelgezang

De Revisor, jrg. 25 nr. 3 Uitg. Querido. Prijs ƒ 21,90

Het fijnste tijdschriftnummer is een waarbij je niet weet waar te beginnen. Bij de gedichten van C.O. Jellema, bij Jan Fontijns enthousiaste herontdekking van Paul Valéry, bij een krachtig pleidooi voor de welgevormde volzin van Allard Schröder, bij de discussies achterin - het laatste nummer van De Revisor is een aanbod dat men niet af kan slaan.

Toch maar beginnen met de twee nieuwe gedichten van Jellema, die er on-Jellemaas uitzien: lang, pratend, met een Kavafis-achtige inzet. 'Waarom niet, lichaam, heb je in jezelf geloofd/ de dagen van je jeugd'. Kavafis' kwestie is niet helemaal dezelfde, die bezingt een lichaam dat volkomen in zichzelf heeft geloofd, maar er is verwantschap in de krachtige weemoed van de toon, het quasi-prozaïsche van de versregels. In dit 'Waarom niet, lichaam', wordt een extreme scheiding tusen lichaam en geest doorgevoerd, en tegelijkertijd is het duidelijk dat de geest zich uiterst vertrouwd voelt met het lichaam, dat de herinneringen van het lichaam die van de geest zijn. Ze zijn gescheiden en vervlochten, ze zijn 'we' - 'we waren kind' - en staan tegenover elkaar - 'je zult mijn dood nog zijn'. Het sterfelijke lichaam en de geest die wellicht in de eigen onsterfelijkheid gelooft, ze komen te laat tot elkaar. Pas nu, nu het lichaam allang de dagen van de jeugd voorbij is, nu het zelfs bezig is te sterven, ziet de geest wat het voor hem betekende. Aangrijpend mooi en waar dit gedicht, op de manier waarop alleen poëzie waar lijkt te kunnen zijn, omdat er zo ontzaglijk veel in samengebald kan worden: een hele wereld, een heel leven, een heel lichaam.

Dan Fontijns aanstekelijke stuk over Valéry, waarin Fontijn zijn eigen tamelijk recente enthousiasme voor Valéry uitlegt aan ons en aan zichzelf. Voor dat laatste moet hij, als Forum-man, ook zijn positie tegenover Ter Braak en Du Perron bepalen. Die waren aanvankelijk niet kapot van Valéry. Ter Braak vond hem te veel estheet en te weinig iemand die partij koos, en dat laatste was natuurlijk onoverkomelijk. Fontijn komt al lezend tot de ontdekking dat die kritiek onjuist was, maar hij lijkt wel enigszins opgelucht om toch te kunnen vermelden dat toen het nazisme opkwam in Duitsland Du Perron zijn mening over 'de betrokken intellectueel' Valéry herzag.

Vooral mooi is wat Fontijn schrijft over Valéry en zijn wil tot analytisch denken. Hij weet dat het denken het 'zijn' niet kan doorgronden; de enige mogelijke verbintenis tussen die twee is iets dat men mystiek zou kunnen noemen. “Zo is er in 1926 het moment dat hij, gezeten voor een geopend cahier, naar het gezang van een vogel luistert; het is iets onverklaarbaars wat hij ervaart. Er is alleen de werkelijkheid van het geluid, de afwezigheid van tijd, men is even in een eeuwig heden.” Het is roerend, hoe ook een zohardnekkige denker buigt voor de ervaring van zoiets eenvoudigs als vogelgezang. Op Fontijns stuk volgen nog enkele bladzijden met aforismen en gedachten van Valéry: “Onze leerlingen en opvolgers zouden ons duizendmaal meer dan onze meesters leren indien we tijd van leven zouden hebben hun werken te zien.”

De Revisor opent met Allard Schröder die er terecht zijn afschuw over uitspreekt dat vorm en stijl in de literatuur in discrediet zijn geraakt ten gunste van de inhoud. Moderne lezers willen met een sneltreinvaart door een boek heenschieten en daarbij zo min mogelijk gehinderd worden door stijl. De oorzaak is de teloorgang van de vanzelfsprekende hoogachting voor de retorica van de klassieke oudheid, voor de onontbeerlijke 'taaltucht en -beheersing'. Nu is dat anders. “De lezende burger blijkt niet langer de ontwikkelde tegenhanger van de schrijver te zijn, maar iemand die zich als een mondig consument is gaan gedragen en zich desnoods tegenover de 'producent' opstelt.”

Schröder is beslist overtuigend, al kiest hij zijn vijanden soms vreemd: criticus Arnold Heumakers zou niets liever willen dan met een rotgang door de boeken van Voskuil (ook een heel foute schrijver) heenschieten en Gerard Koolschijn wordt opgevoerd als de Nico ter Linden van Plato. Heumakers en Voskuil blijken ook de vijanden van P.F. Thomése die De Revisor afsluit met een stuk over Wagner waarin hij uitroept: “Maar kunst hééft geen inhoud.”