'Wij faalden bij opbouw democratie Hongkong' ; Laatste gouverneur Chris Patten kijkt terug op zijn missie

De laatste gouverneur van Hongkong, Chris Patten, kijkt met gemengde gevoelens terug op zijn missie. Op bezoek in Nederland, ter promotie van zijn boek, zegt hij tegen deze krant: “We hadden het beter kunnen doen.”

ROTTERDAM, 19 SEPT. De leiders in Peking noemden hem “de hoer van Europa”, “een slang” en “een misdadiger die duizend generaties lang veroordeeld zal worden”. Chris Patten (54) had een lange staat van dienst opgebouwd binnen de Britse Conservatieve Partij - hij bekleedde verschillende kabinetsposten onder Margaret Thatcher en was partijvoorzitter - toen John Major hem in 1992 benoemde tot de laatste gouverneur van Hongkong. De wereld keek over zijn schouder mee toen hij op 30 juni vorig jaar afscheid nam van het laatste restant van het Britse imperium en de kroonkolonie overdroeg aan China.

Patten kijkt met gemengde gevoelens terug. “In veel opzichten hebben we Hongkong goed bestuurd. We hebben een goede wetgeving ingevoerd waarin mensenrechten en burgerlijke vrijheden zijn opgenomen, we zijn begonnen met de aanleg van het nieuwe vliegveld ondanks de weerstand uit Peking. Maar we hadden het beter kunnen doen”, zegt hij op onderkoelde toon in een vergaderzaal van het Hilton-hotel op Schiphol. Patten - die nu in opdracht van premier Blair de hervorming voorbereidt van de Royal Ulstar Constabulary, de Noord-Ierse politiemacht - is in Nederland ter promotie van zijn boek Oost en West, dat over zijn Hongkongse ervaringen gaat. Daarin beschrijft hij zijn 'Kafkaiaanse' ontmoetingen in Peking met woedende Chinese leiders, die niets willen weten van zijn democratiseringsvoorstellen, en die (“Wij kunnen niet verantwoordelijk worden gesteld voor de gevolgen van uw optreden”) hel en verdoemenis voorspellen als hij ze niet intrekt.

Maar - onthullender nog - Patten doet ook uit de doeken hoe hij vanuit Groot-Brittannië en Hongkong zelf in de rug wordt aangevallen: door functionarissen van Buitenlandse Zaken in Londen die moeite hebben met de wijze waarop hij zich als nieuwkomer profileert, en vooral door oud-politici, gepensioneerde diplomaten en zakenlieden, die met afgrijzen zien hoe Patten China tegen zich in het harnas jaagt met zijn opvattingen over democratie en mensenrechten. Uit kritiekloos respect voor de 'oude Chinese beschaving' of gewoon uit angst voor verlies van handel en opdrachten, tonen zij zich klakkeloos bereid hun morele waarden terzijde te schuiven om maar bij de machthebbers in Peking in het gevlei te komen, schrijft Patten. “Ze mopperden tijdens lunches in de City, ze fluisterden ministers iets in het oor en zeurden ambtenaren aan hun hoofd. De teneur van hun opvatting was simpel: 'Patten is slecht voor het bedrijfsleven'.”

Eigenlijk stond de laatste gouverneur voor een onmogelijke taak bij zijn pogingen om de Wetgevende Raad, het Hongkongse parlement, democratischer te maken. De optie om een sterke democratische traditie te vestigen in de kroonkolonie, was al lang weggeven door zijn voorgangers. “Dat is het grootste falen van het moederland. Door te lang vast te houden aan de koloniale denkwijze, gaf het Hongkong geen kans om geleidelijk, maar onomkeerbaar een zelfbewuste politieke cultuur op te bouwen”, schrijft Patten.

In 1984 kwamen China en Groot-Brittannië een Gezamenlijke Verklaring over Hongkong overeen waarin weliswaar wordt gesproken over “een gekozen wetgevend orgaan”, maar de uitwerking daarvan werd diplomatiek in het midden gelaten. Onthutsender was dat Londen in 1987 toestond dat er met de officiële uitslag van een referendum in Hongkong over de wenselijkheid van verkiezingen zo werd gegoocheld, dat de uitslag ook voor de Chinese regering bevredigend was: geen directe verkiezingen in 1988. “Wat niet te verdedigen valt, is dat er onder het mom van openheid en volksraadpleging zogenaamde Realpolitik werd bedreven”, schrijft Patten. En over zijn afscheid “in een broeierige, regenachtige nacht voor de imposante kust van de haven van Hongkong”, zegt hij: “Het had erger kunnen eindigen. Maar Hongkong verdiende beter. De manier waarop we vertrokken, was triest. En ik vrees dat de bevolking die we achterlieten, dat heel goed weet.”

Eigenlijk moet je vaststellen dat in Groot-Brittannië heel wat krokodillentranen zijn geplengd over verlies van het 'vrije' Hongkong aan het communistische China?

“Het is misschien niet eerlijk om dat te zeggen. Je kunt niet volhouden dat Groot-Brittannië nooit om democratisering in Hongkong heeft gegeven, wel dat het er te weinig om heeft gegeven. In de jaren '40 en '50 verzette China zich tegen het idee dat Hongkong op dezelfde manier zou worden behandeld als onze andere kolonies, omdat Hongkong niet onafhankelijk zou worden, maar teruggegeven aan China. In de jaren '70 had Hongkong zijn eigen opgeleide middenklasse ontwikkeld, en kwam een beweging voor democratisering opzetten. Toen hadden we meer moeten doen. En ook na de overeenkomst met China in 1984. We hadden ons in 1988 moeten vastleggen op directe verkiezingen, dan hadden we een decennium gehad om vaste voet aan de grond te krijgen. China verwierp dat, maar zoals ik heb laten zien in mijn periode: alleen omdat China kritiek uitoefent, betekent dat niet dat dingen onmogelijk zijn.”

Is het niet onbegrijpelijk dat Londen geen heldere strategie had?

“Londen had een strategie: die lag vervat in de Gezamenlijke Verklaring. Maar hoe die werd uitgevoerd, was een kwestie van politieke beoordeling. Mijn strijd met China ging over de vraag of de afgesproken democratisering echt zou zijn of namaak.

“Mijn critici redeneerden: als we iets tegen de zin in van de Chinezen doen, gaat China blazen en stort het dak in. En ze zeiden: het heeft geen zin om regelingen te maken die China toch weer gaat terugdraaien. Ik ging ervan uit dat er een verschil is tussen het lawaai dat China maakt, en wat het werkelijk doet. Bovendien lijkt me er een wereld van verschil: de Chinezen die eerlijke regelingen veranderen of Britten die akkoord gaan met de invoering van oneerlijke regelingen en ze daarmee geloofwaardiger maken.”

Na de Verklaring van 1984 gaf Londen het initatief uit handen en gaf steeds toe aan Peking. Dan is het toch logisch dat China de onderhandelingen ging traineren toen u met voorstellen kwam die het niet zinde?

“Dat is een curieus argument. Als je geen inbraakalarm in je huis hebt, geeft dat toch niemand het recht om in te breken? Bovendien: als je China de indruk geeft dat het altijd op zijn eigen voorwaarden kan onderhandelen, gaan ze door op die manier te onderhandelen. Dat betekent nog niet dat ze daarmee in hun recht staan. Tussen 1992 en 1997 heb ik vele onderhandelingen gevoerd en toen die nergens tot leidden, heb ik ze afgebroken en de dingen gedaan waarvan ik dacht dat ze goed waren. Maar dat is niet de traditionele manier waarop het Westen China benadert.”

U moet zich erg eenzaam hebben gevoeld en verraden?

“Ik werd altijd sterk gesteund door de premier, de minister van Buitenlandse Zaken en de minister van Financiën. Allemaal persoonlijke vrienden. Het is waar dat sommige gepensioneerde diplomaten en Britse zakenlieden mij het mes in de rug probeerden te zetten. Maar ze slaagden niet, door mijn sterke steun van de mensen in Hongkong en door mijn politieke relatie met het kabinet.”

Waarom is China in uw ogen zo'n onbetrouwbare partner in de wereld?

“Ik hoop dat het dat niet zal zijn, maar China is de laatste grote dictoriale staat. Het probeert leninisme en kapitalisme te combineren, een onderneming die ten dode is opgeschreven. Het heeft een miserabele staat van dienst op het gebied van de mensenrechten. Het levert wapens aan sommige van de verderfelijkste landen in de wereld. Het is onbetrouwbaar op het gebied van een aantal handelsonderwerpen, zoals intellectueel eigendomsrecht. We moeten China niet behandelen als een Evil Empire waartegen een politiek van containment (inperking) moet worden gevoerd, zoals Ronald Reagan tegenover de Sovjet-Unie deed. We moeten toenadering zoeken, maar zijn fouten niet aanmoedigen. Ik ben er niet voor nieuwe regels uit te vinden, alleen maar om China te plezieren. China heeft ons veel meer nodig, dan wij China. We moeten China niet toestaan handel en politiek met elkaar te vermengen.”

Toch gaan zakenlieden en regering gewillig voor de knieën voor Peking, schrijft u geërgerd.

“Ik zal u een voorbeeld geven: vorig jaar diende Denemarken, gesteund door Nederland en Groot-Brittannië, een resolutie in bij de mensenrechtencommissie van de Verenigde Naties in Genève, waarin China wordt veroordeeld. Peking begint daarop met zijn voeten te stampen en uit bedreigingen aan het adres van Denemarken en Nederland. Een lid van de VN-Veiligheidsraad bedreigt andere leden van de VN omdat die de instrumenten van de VN volstrekt legitiem gebruiken. En wat deed de Europese Unie? Niet één woord van kritiek! Wat concludeert China daaruit: het is volstrekt duidelijk dat we het ene Europese land tegen het andere kunnen uitspelen. Een consistentie politiek van de EU is onmogelijk geworden door de manier waarop individuele landen zich gedragen. En dat door de volstrekt onjuiste inschatting dat je alleen maar zaken kunt doen met China, als je politiek doet wat Peking wil.”

U rekent in uw boek af met de Aziatische mythe. Waarom wordt de komende eeuw niet de eeuw van Azië?

“Dat is een volstrekt verouderde manier om naar de wereld te kijken. De volgende eeuw gaat behoren aan ideëen, niet aan landen of continenten. De samenlevingen die het het beste zullen doen, zijn die landen die er in slagen op succesvolle manier economische en politieke vrijdheid te combineren.“De directe aanleiding voor de huidige crisis in Azië waren schulden. Maar de onderliggende oorzaak is dat de economische ontwikkelingen in Azië de politieke ontwikkeling voorbij heeft gestreefd. Dat betekent dat politieke veranderingen nodg zijn. Iedereen zegt nu: om te herstellen moet er grotere openheid komen, minder corruptie, meer representatieve regeringen, vrijheid van meningsuiting. Nog maar anderhalf jaar geleden zei men in het Westen, met een racistische ondertoon, dat dit soort zaken irrelevant waren, dat Aziaten zich niet druk maken over mensenrechten en burgerlijke vrijheden”.

U moest dit voorjaar op zoek naar een andere uitgever omdat Murdoch uw boek niet wilde publiceren, gezien zijn belangen in China. Hij zei dat het een 'slaapverwekkend' boek was. Is hij in uw ogen de belichaming van de opportunistische zakenman?

“Hij zit helemaal fout als hij denkt alleen zaken te kunnen doen met China als hij eerst uitzoekt wat de Chinezen graag zouden willen, en om daar vervolgens precies naar te handelen. Hij heeft zijn excuses aangeboden.”

In uw boek spreekt u uw ambitie uit terug te keren naar “de frontlinie van de politieke ideeënstrijd”. Betekent dat dat u de Conservatieven onder uw leiding gaat terugbrengen naar de politieke macht?

“Ik ben zeker van plan mijn bijdrage te leveren aan het politieke debat, niet alleen in Groot-Brittannië maar ook in Europa. Ik heb nu een moeilijke baan bij de politie in Noord-Ierland, die me tot volgend jaar zomer bezig zal houden. Daarna is de horizon volstrekt open...”