Wezenloze vogels; VISDIEVENKOLONIE LIJDT AAN GEHEIMZINNIGE ZIEKTE

OP HET sluizencomplex van Terneuzen, dat schepen van de Westerschelde toegang verschaft tot het Kanaal van Gent naar Terneuzen, is al een kleine twintig jaar een visdievenkolonie gevestigd. De kolonie begon in 1979 met vijf broedparen en groeide geleidelijk uit tot een middelgrote kolonie van meer dan tweehonderd broedparen in de jaren '90.

Op het oog is het geen opmerkelijke kolonie, of het moest zijn dat de vogels nestelen op een kunstmatige grindvlakte tussen de sluizen. Maar visdieven (Sterna hirundo) nestelen tegenwoordig wel vaker op kunstmatige plekken, zoals opspuitterreinen, overstekken tussen snelwegen en op platte daken. Ook de lage omrastering van het terreintje is niet opmerkelijk. Die is enkele jaren geleden door het sluispersoneel aangebracht - niet om buitenstaanders weg te houden (die komen hier niet) maar om te voorkomen dat de jongen in de diepe sluis vallen en daar reddeloos verloren gaan.

Nee, opmerkelijk aan de kolonie Terneuzen is dat de vogels sinds 1994 aan een geheimzinnige ziekte lijden - de eieren komen niet uit of àls ze uitkomen dan sterven de jongen binnen enkele dagen. “Het is”, zegt Peter Meininger, vogelonderzoeker van het Rijksinstituut voor Kust en Zee (RIKZ) in Middelburg, “een ellendig gezicht. Normaal is een visdievenkolonie een vrolijke aangelegenheid. De oudervogels vliegen krijsend rond en voeren woeste duikvluchten uit naar de indringers. Als je geen hoed of zo opzet, pikken ze je tot bloedens toe in je hoofd. En je moet goed kijken waar je je voeten neerzet, want overal zie je gewriemel of zitten de pluizige donsballetjes juist weggedrukt. Maar in Terneuzen is dit sinds enkele jaren niet meer zo. De oudervogels vliegen een beetje wazig rond en maken een wezenloze, passieve indruk. Op de grond liggen overal nesten met eieren die maar niet uitkomen. Je vindt dode kuikentjes, half-uitgedroogd met een kleverige anus. Maar het ergste zijn de paar net uitgekomen kuikens: ze hebben ontstoken ogen, poten met onderhuidse bloedingen en bebloede vleugelpunten. Het uitvliegpercentage van de kolonie is vrijwel nihil.”

In eerste instantie dacht het RIKZ, dat sinds 1979 in een biologisch monitor-programma het broedsucces in de hele Delta bijhoudt van kluten, plevieren, meeuwen en sterns, aan een besmettelijke ziekte. Net als bij zeehonden in de jaren tachtig zou een virus of een bacterie door een verzwakt immuunsyteem de hele kolonie ziek kunnen maken. Maar deze mogelijkheid werd minder plausibel bevonden na inwendig onderzoek van de jongen. In geen enkel jong werden bloedparasieten aangetroffen of parasieten in de lever. In de ontlasting, die abnormaal kleverig was, werden geen pathogene bacteriën gevonden.

Wèl vonden A.T.C. Bosveld van het Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek en G.M. Dorrestein van de Universiteit Utrecht afwijkingen in de bursa fabricius, bij vogels het orgaan waarin B-lymfocyten worden aangemaakt, en een verhoging van de apoptose, de zelfgekozen celdood die optreedt na een celabnormaliteit.

Omdat vermoed werd dat er dioxine-achtige stoffen in het spel zouden zijn, werd ook gekeken naar de activiteit van een specifiek leverenzym, EROD (ethoxyresorufine O-deethylase), die verhoogd zou zijn als de vogels PCB's, dioxinen of dibenzofuranen hadden opgenomen. Maar niets van dat alles. Bosveld: “Omdat we geen enkele parasiet hebben gevonden en de geheimzinnige sterfte zich niet naar andere kolonies uitbreidt, geloven we niet erg meer in een besmettelijke ziekte. We zoeken het in de richting van een chemische verbinding die door de oudervogels wordt opgenomen en die het ei beschadigt. Maar welke verbinding is volstrekt onduidelijk.”

Het is in geen geval DDT. Van DDT is bekend dat het de eischaal verzwakt, terwijl de eieren in Terneuzen juist gemiddeld dikkere schalen hebben. Ook waren de eieren gemiddeld wat zwaarder en was het eivlies wat dikker. Vreemd was wel dat de eieren, ondanks dikke eischaal en eivlies gemakkelijker braken. Om te onderzoeken of de eieren ook werkelijk abnormaal waren, werden ze in een broedmachine uitgebroed. En inderdaad bleken de eieren uit Terneuzen maar voor de helft uit te komen (46%), terwijl eieren uit een 'gezonde' kolonie normaal uitkwamen (92%). De broedduur van de eieren uit Terneuzen was ook meer dan twee dagen langer.

Bosveld: “De symptomen van deze geheimzinnige ziekte kunnen we nergens terugvinden in de literatuur. Misschien dat de dikkere eischaal de ademhaling van het embryo verstoort. We vinden ook een lichte asymmetrie in de hersenen, wat duidt op een verstoring van het centraal zenuwstelsel. Maar waardoor dit alles wordt veroorzaakt - we weten het niet.”

Zou het kunnen gaan om een chemische verbinding die het water van de Westerschelde vervuilt? Bosveld en Meininger vinden dat minder waarschijnlijk. Meininger: “Er zijn ook andere kolonies aan de Westerschelde, zoals op de Hoge Platen en in het land van Saeftinge. En daar is niets aan de hand.” Zou dan het Kanaal van Gent naar Terneuzen vergiftigd zijn? Meininger: “Het kan, het kanaal geldt wel als zeer vies. En we weten dat de visdieven er regelmatig fourageren. Maar we hebben er geen onderzoek naar gedaan. Bovendien, waar moet je naar zoeken? We weten helemaal niet om welke verbinding het gaat.”

Is de vondst bij Terneuzen, hoe dramatisch het ziektebeeld ook is, wetenschappelijk gezien niet uiterst opwindend? Bosveld moet dit beamen: “Wanneer wij de vinger weten te leggen op een geheel nieuw type vergiftiging zou dit toxicologisch zeer interessant zijn. Maar dit is speculeren. We zijn nog maar net begonnen. Het kan jaren duren voor we de oplossing vinden.” Het is te hopen dat de kolonie in Terneuzen het zo lang volhoudt.