Van Rome naar Peking

Begin '67 werd ik door Het Vrije Volk naar Nijmegen gestuurd om de plaatselijke redactie te versterken. We waren toen met ons drieën: Kees Slager, chef, Joop Eilander, freelancer, en ik, leerling. Kees was in Nijmegen net zo nieuw als ik, Joop kende de stad als zijn broekzak en hém heb ik nog eens opgezocht om herinneringen op te halen.

Geboren en getogen in Deventer, was hij na de oorlog in de journalistiek verzeild geraakt bij de Deventer editie van Het Parool. Koud van de Mulo, zeventien jaar oud, zat hij op de advertentie-afdeling. Hij begon daar brieven open te maken die niet aan hem gericht waren, en ze te beantwoorden ook. Als er toen geen hoofdredacteur was geweest, Sal Hamburger, die had gezegd: misschien kan ík wel wat met die jongen beginnen, was dit ongetwijfeld zijn eerste ontslag op staande voet geworden.

Dit, beste mensen, is een typisch Eilander-verhaal. Altijd de wanhoop ten top, en dan komt het toch nog goed.

Voorjaar '47 werd hij aangenomen op de sportredactie van Het Nijmeegsch Dagblad, protestants-christelijk bolwerk in een katholiek landschap. Dat wil zeggen: op zaterdag aankomst in Nijmegen, op zondag naar de Goffert om een wedstrijd van NEC te verslaan, en die jongens hadden geen rugnummers; je kreeg wel een opstelling uitgereikt, maar die begonnen na het eerste fluitsignaal meteen door elkaar heen te rennen - dus op maandag sportredacteur-af. Maar gelukkig hadden ze daar ook nog een algemene verslaggeverij.

Hij kon, zegt hij, hier niet wennen. Godfried Bomans heeft Nijmegen eens omschreven als een clericale stad. 'Nergens ter wereld bepaalt de zorg voor het hiernamaals zozeer het straatbeeld als hier.' En zo was het, je brak je nek over de paters en de nonnen. Het Rome van het Noorden.

Je leerde bijvoorbeeld een katholiek meisje kennen, en dan liep het tegen Pasen, dan kwam zij bij je op je kamer, dan zei ze: we kunnen nu wel even naar bed, ik ga straks toch biechten. Nee, niet het buitenkansje - de mentaliteit die daarachter stak.

Of toen hij met een katholiek meisje in ondertrouw was - dat de pastoor zei dat voor een gemengd huwelijk weliswaar dispensatie werd verleend, maar dat ze voor de voltrekking ervan de kerk door de achterdeur zouden moeten betreden; als ze door de voordeur wilden moesten ze in het bisdom Haarlem zijn, dáár mocht dat wel. Dus dat huwelijk ging niet door.

Ons Erf, de volkshogeschool in Berg en Dal, bestond vijf jaar en hij werd door De Tijd, een fijne krant was dat om voor te werken, voor een interview naar de directeur gestuurd, Th. van Steen. Goedemorgen meneer Eilander, een stoel meneer Eilander, een sigaar meneer Eilander, en vijf minuten later: bent u wel katholiek meneer Eilander? Neenee, dat gééft niet! Maar wel achter je rug met De Tijd bellen: hoe halen jullie het in je hoofd om mij een niet-katholieke verslaggever op het dak te sturen. En als je zo iemand later tegen het lijf loopt op een receptie: dag meneer Eilander, hoe gaat het met u, wat een áárdig stuk hebt u toch geschreven.

Diezelfde Van Steen kreeg in De Gelderlander eens een halve pagina, een halve pagina, om de staf te breken over een collega-freelancer, die in een artikel gewaagd had van 'een niet zo piepjonge' Nijmeegse feestverlichting. Dat was niet alleen bizar, dat was ook een poging tot broodroof.

Persconferenties van de gemeente - altijd 's morgens, zodat De Gelderlander het nieuws dezelfde dag nog kon meenemen; de andere kranten konden dat niet.

Hier, een knipsel van de voorpagina van De Gelderlander: 'Voor de Joden en hun bekering tot het Christendom bidden wij morgen.' Dat zij, de Joden, Gods almacht destijds wel erg lichtvaardig hadden uitgedaagd met de uitroep: Zijn bloed kome over ons en onze kinderen. Dat zij, de Joden, hun heil nu niet mochten verwachten van de staat Israël, maar de weg naar het ene Vaderhuis moesten zien te vinden.

En een keer een ingezonden stuk van de deken van Nijmegen, C.J.E.M. van Dijck (met ck, het rolt er nog feilloos uit), dat er tegenwoordig veel te benauwd gebouwd werd in de stad, dat dat niet bevorderlijk was voor grote gezinnen.

In 1950 studeerde een zekere Jo Hansen na tien jaar af in de Franse letteren. De Postharmonie speelde de Marseillaise. Vooraf was de geslaagde student met enkele vrienden de Waal overgestoken om de grond van het afvallige noorden te bespuwen.

In datzelfde jaar beraadslaagde de gemeenteraad uitvoerig over de afscheiding tussen de jongens- en meisjesligweide in het Goffertbad. Met één rietmat kon niet worden volstaan. Twee rietmatten met een strook niemandsland ertussen, dan wist je pas zeker dat er niet gegluurd kon worden.

Nog in '53, toen met 'Honderd jaar Kromstaf' het herstel van de kerkelijke hiërarchie in Nederland werd herdacht, ijverde in Nijmgen een comité voor de plaatsing van een kruis aan de rivier met de tekst: hier begint het katholieke zuiden.

Ook in '53: grote festiviteiten bij de voltooiing van de restauratie van het stadhuis en de Stevenstoren. Alle burgemeesters van steden langs de Rijn waren uitgenodigd, ook de Duitse. Toen die de Schepenhal binnenkwamen, waar de eerste champagne al was uitgeschonken, begon het daar onmiddellijk te sissen. Sieg Heil, Sieg Heil. Dus die werden algauw in een bus geladen en afgevoerd naar de Wolfsberg in Groesbeek, waar ze maar heel weinig aanspraak hadden aan de escorterende ambtenaar van de afdeling Voorlichting - ja, zíjn dag was nu ook verpest.

Wat je trouwens ook wel een saillant detail kunt noemen: dat het tot '64 heeft geduurd voordat de plaatselijke filmkeuring, katholieker dan katholiek, werd afgeschaft.

En elke zomer de kwelling van de Vierdaagse, de treurigste week van het jaar. Hoewel het voor een freelancer ook een week van goed verdienen was. Je nam de legger van het vorige jaar en schreef hetzelfde stuk nog eens, alleen met andere aantallen. Als je per regel betaald werd: de stukken zo veel mogelijk oprekken en de informatie zo spreiden dat ze er niet in konden schrappen.

Eilander: 'Nu is het de hele Vierdaagse kermis. Toen heerste er op last van de marsleider, majoor Breunese, rust in de stad. Deelnemers dienden een ongestoorde nachtrust te genieten. Om een uur of negen kwam je op straat geen kip meer tegen.'

Vanwege die majoor Breunese had de minister van Oorlog in '46 deelname van militairen aan de Vierdaagse verboden; militaire commandanten mochten aan het evenement geen enkele steun verlenen. Want de marsleider was niet helemaal zuiver geweest tijdens de bezetting.

Toen ikzelf in '67 mijn eerste Vierdaagse als journalist beleefde, was het juist een zeer soldatesk gebeuren (en prins Claus liep ook mee om de harten van het Nederlandse volk te veroveren).

Eén of twee jaar later ontrolden studenten bij de intocht op de Oranjesingel een spandoek met de woorden: is het hier oorlog?

Ludiek met een vleugje marxime-leninisme. Ja, Nijmegen stond op de drempel van de revolutie, de stad zou zich weldra ontpoppen als het Peking aan de Waal.