Romeinse blauwkousen

Emily A. Hemelrijk: Matrona docta. Educated women in the Roman elite from Cornelia to Julia Domna. Katholieke Universiteit Nijmegen, 9 september 1998, 344 pag. Promotores: prof.dr. L. de Blois en prof.dr. H.S. Versnel.

Het loopt tegen het vijfde millennium en nog altijd zijn er promovendi die het zichzelf wel erg moeilijk maken. Dit keer is het er een, die een beeld wil schetsen van de literaire en artistieke ontwikkeling van vrouwen in Nederland zo tussen 1600 en 2000. Veel materiaal is er uit die tijd helaas niet overgebleven, een vrolijke verjaardagswens van Sylvia Toth, een lezeressenbrief uit de Margriet, een half gedichtje van Ida Gerhardt, wat fragmenten van Betje Wolff en Aagje Deken, een bladzijde uit het dagboek van Amalia van Solms en een hoofdstuk uit Eline Vere. Het lijkt een hopeloze onderneming, maar toch niet hopelozer dan de poging van Emily Hemelrijk ons nog net voor het derde millennium te vertellen wat de positie van de ontwikkelde vrouw was in het antieke Rome ten tijde van zijn grootste bloei, zo tussen 200 voor en 200 na Christus. Er is nauwelijks iets bewaard gebleven van hun geschreven werk en er is door mannen ook maar weinig over hen geschreven. Zelfs het woord 'matrona docta' bestond niet, het is door Emily Hemelrijk zelf verzonnen, al valt dat niet meteen op, omdat het klinkt als het begin van een pauselijke encycliek waarin aan Maria iets moois toegeschreven wordt.

Geletterdheid zal dat zeker niet zijn geweest, want Maria was allerminst een Romeinse vrouw uit de hoogste sociale lagen en dat waren toch de enigen van wie verondersteld mocht worden, dat ze tenminste konden lezen en schrijven. Meer werd in het algemeen niet nodig en trouwens ook niet wenselijk geacht. Geleerde en geletterde vrouwen waren toen al net zo verdacht en voor mannen bedreigend ('onuitstaanbaar vervelend' heette dat uiteraard) als in een groot deel van de westerse geschiedenis sindsdien. Met de uitzondering van Sappho konden de Romeinse vrouwen zich hier ook niet beroepen op modieuze en inspirerende Griekse voorbeelden. Waar de Romeinse vrouw aan de zijde van haar man - en als weduwe ook zelfstandig - volop kon deelnemen aan het sociale leven en binnenshuis feitelijk de baas was, kwamen de Griekse vrouwen nauwelijks buiten de voor hen gereserveerde delen van het huis. De matrona is het prototype van de latere Italiaanse 'mamma', in de sociale positie van de Griekse vrouw is eerder de strenge segregatie van de seksen te zien, die wij nu zo typisch voor de islam vinden.

De fascinerende en zeer toegankelijk geschreven studie van Emily Hemelrijk beperkt zich welbewust tot de vrouwen uit de elite. Over de mate van geletterdheid van de vrouwen uit de lagere standen is helemaal niets bekend en waarschijnlijk zou daar ook weinig over te melden geweest zijn. Ook in het Romeinse rijk, dat in de geschiedenis op dit gebied toch bepaald geen slechte reputatie heeft, kon maar een klein deel van de bevolking lezen en schrijven en een nog kleiner deel had toegang tot schrijfmateriaal, laat staan tot boeken. Voor vrouwen, ook deftige vrouwen, gold dat nog eens te meer, omdat ze vrijwel volledig aangewezen waren op privé-onderwijs thuis en bovendien meestal al trouwden op een leeftijd waarop hun broers nog niet de helft van hun opleiding achter de rug hadden.

Niet zelden verboden mannen hun vrouwen te studeren en als ze er geen bezwaar tegen hadden, dan waren de mogelijkheden van vrouwen om zelf in het openbaar te spreken of hun geschriften te publiceren, vrijwel nihil. Er waren uitzonderingen op deze regel, die met de nodige nuances toch het algemene patroon van vier eeuwen Romeinse geschiedenis beschrijft. In het kielzog van hun broers of in gezelschap van hun man konden vrouwen naar het theater gaan en aan wat wij nu zouden noemen 'literaire avonden' deelnemen. Rijke vrouwen konden in hun gevolg geleerden en dichters opnemen, in de elite waren veel vrouwen feitelijk beheerders van de bezittingen van hun mannen, die op veldtocht waren of op reis door het uitgestrekte rijk. Zij droegen ook de directe verantwoordelijkheid voor de opvoeding van de zoons en hielden hun echtgenoten op de hoogte van de gebeurtenissen, ook op politiek gebied, in Rome.

Goed onderwijs en een behoorlijke ontwikkeling waren voor hen essentieel, maar om een te grote zelfstandigheid te voorkomen werd er toch steeds de nadruk op gelegd hoe dit alles in dienst stond van traditionele Romeinse waarden en mooie vrouwelijke deugden als gematigdheid, zelfbeheersing, ijver en spaarzaamheid. De praktische instelling van de Romeinen won het echter maar moeilijk van hun traditionele terughoudendheid ten aanzien van geleerde vrouwen en het is niet toevallig dat achter het woordje geleerd toch ook altijd het vermoeden van lichtzinnigheid, seksuele losbandigheid of verwaarlozing van het huishouden stak.

Een verstandige vrouw liet zich dan ook niet voorstaan op haar kennis en zou zeker nooit haar man willen 'vervelen' door hem ik kennis en gevatheid te overtreffen (een advies dat trouwens nog steeds in etiquetteboeken kan worden aangetroffen). Alleen economisch onafhankelijke en tot de beste families behorende vrouwen, zoals in de tijd van de republiek de schatrijke weduwe Cornelia, dochter van Scipio Africanus en moeder van de twee Gracchi, en in de keizertijd een hele reeks van keizerin-moeders, met als hoogtepunt Julia Domna, de geleerde vrouw van Septimius Severus en de moeder van Caracalla, hoefden zich ook in hun persoonlijke ontwikkeling door niemand wat te laten gezeggen.

Van hen is bekend dat zij zeer geletterd waren en hoewel zij daar in de literatuur zeer om geprezen werden (alleen daardoor weten we dat ze hoogontwikkeld waren), duurde het toch nog lang voor goed onderwijs voor meisjes en vrouwen uit de hoogste standen niet alleen als praktisch, maar ook als prestigieus ging gelden. Ook toen was het echter niet de bedoeling dat vrouwen ook in het dagelijkse en sociale leven daadwerkelijk blijk zouden geven van hun eruditie. Lofprijzingen op dat gebied werden ook meteen verbonden met hun rol als voortreffelijke echtgenote of goede moeder.

Hoewel de eenheid van taal en cultuur in het Romeinse rijk ook voor hedendaagse begrippen indrukwekkend is, wordt toch pas door een onderzoek als van Emily Hemelrijk duidelijk hoe klein het gedeelte van de bevolking geweest moet zijn dat werkelijk deel heeft gehad aan wat nu nog als 'gymnasiale' cultuur geldt. De actieve en passieve deelname was vrijwel geheel voorbehouden aan mannen, en dan weer vooral mannen uit de hoogste sociale klassen, met veel geld, veel vrije tijd en veel personeel. Alleen wie veel geld had, kon door kopiïsten een bibliotheek bij elkaar laten overschrijven en het zich permitteren leraren, dichters, schrijvers, geleerden en voordrachtskunstenaars in zijn huis te laten wonen. Patronage was ook voor rijke vrouwen, vooral weer weduwen, een mogelijkheid deel te hebben aan het culturele leven en in enkele gevallen er ook voor te zorgen dat hun eigen gedichten op papier gesteld en verspreid werden.

Voorbeelden van ontwikkelde vrouwen die hun talent door patronage of protectie tot ontplooiing konden brengen, zijn er bijna niet. Een uitzondering vormt mogelijk Julia Balbilla, die met keizer Hadrianus en keizerin Sabina een bezoek aan Egypte bracht en in het voetstuk van de Colossus van Memnon ter herinnering daaraan enkele van haar gedichten liet beitelen. Misschien was zij een soort hofdichteres, maar uit het weinige wat over haar bekend is, kan in ieder geval afgeleid worden dat zij ook zelf van hoge en rijke afkomst was. Vier eeuwen politieke, economische en culturele bloei hebben niet meer dan een paar snippers aan door vrouwen geschreven literatuur opgeleverd.

Er is natuurlijk veel meer geweest, maar alles wijst er toch op dat het aandeel van vrouwen in de literaire productie ook destijds al klein geweest moet zijn. De enige uitzondering vormt mogelijk de briefproductie, maar juist daarvan is vrijwel niets bewaard gebleven.

Een groot deel van het indrukwekkend gedocumenteerde (maar merkwaardig genoeg methodologisch wel erg summier verantwoorde) boek van mevrouw Hemelrijk is dan ook gewijd aan de vraag hoe het komt dat er zo weinig vrouwen literair actief konden worden in het oude Rome en vervolgens aan de vraag waarom juist van hun productie zo uitzonderlijk weinig bewaard gebleven is. Even dacht ik dat het antwoord op die vragen onbedoeld door zou gaan klinken tot in de productie van dit proefschrift zelf, maar ik heb inmiddels begrepen dat er volgend jaar een handelseditie van gaat verschijnen. Terecht.