Prins wie?; Koninklijk bezoek aan de vergeten kolonie van Maurits

Prins Maurits landt vandaag op hetzelfde eiland als zijn voorvader Maurits vierhonderd jaar geleden. Behalve de naam is er niet veel van de Hollandse kolonisator op Mauritius achtergebleven. De eilandbewoners zijn de Nederlanders wel dankbaar voor het uitroeien van de dodo. Dat maakte hun landje wereldberoemd.

De oude heer Dhunnyram Hanzary wist het nog niet. “Quoi”, schreeuwt hij, “komt er een prins naar Mauritius?” Hanzary is 81 en stokdoof en mist daardoor wel eens een woord. Hij vervolgt resoluut: “Als dat zo is ga ik kijken.” Wie prins Maurits is weet hij niet. Hanzary zit voor de Stop & Shop Winkel in Surinam, een bedrijvig plaatsje aan de zuidkust van Mauritius, verscholen tussen de suikerrietplantages. Op de pui van de winkel hangt melkreclame met Friese stamboekkoeien.

Andere bezoekers van de zaak in comestibles weten wel wie op bezoek komt. “Een prins met een lange naam”, zegt iemand en zo is het. Vandaag arriveert prins Maurits van Oranje-Nassau van Vollenhoven met zijn echtgenote prinses Marilène in Mauritius, op uitnodiging van de regering. Om precies vierhonderd jaar nadat Hollandse zeelieden voet aan bodem zetten op een toen onbewoond eiland, die historische plaats opnieuw te bezoeken. Prins Maurits keert terug naar het land dat de Hollandse zeevaarders vernoemden naar een van zijn vroede vaderen.

Een paar dagen van te voren is het een en al bedrijvigheid op de 'Hollandse' locaties, ter voorbereiding van de grote dag. In Vieux Grand Port, aan de voet van Les Montaignes des Hollandais wordt de laatste hand gelegd aan een upgrading van een vijftig jaar oud monument dat de komst van de Nederlanders memoreert. De Hongaarse beeldhoudster Suzanna Szemök heeft in opdracht van de Mauritiaanse regering een ovale kopergravure van de historische prins Maurits gemaakt. In gebrekkig Engels geeft ze klusjesmannen aanwijzingen hoe de gravure op een stenen stèle moet worden, boven de herdenkingstekst uit 1948.

“Wilt u de plaquette alvast zien die de prins zal onthullen”, vraagt Szemök lachend. Ze schuift het blauwe doek naar beneden en toont de koperen plaat met de tekst: 'On the 20th September 1998, in the presence of their highness Prince Maurits and Princess Marilène of Oranje-Nassau was commemorated here the first landing of the Dutch on the island.' Szemök wrijft de plaat nog eens lekker op, zodat deze glans en glimt.

In het Naval Museum van het nabijgelegen Mahébourg is het regelrechte paniek. De voorkant staat nog in de steigers, schilderijen en andere stukken bestemd voor de expositie 400 jaar Mauritius zweven nog rond. En een heel dozijn conservatoren en werklieden loopt elkaar voor de voeten. “We moeten de Nederlandse vlag niet vergeten buiten te hangen”, zegt een medewerker. “Maar hoe ziet die eruit?” Het museum doet in een notedop de geschiedenis van Mauritius uit de doeken.

Zware storm

Die begon niet met de komst van de Nederlanders. Vóór hen waren waarschijnlijk Arabieren en zeker Portugezen al op het eiland geweest, maar geen van beide toonde een langdurige belangstelling. Portugese ontdekkingsreizigers noemden het eiland, dat zij spaarzaam aandeden, Cirne. Eind zestiende eeuw begonnen de Hollanders met hun ontdekkingsreizen naar het zuiden en de oost. Admiraal Cornelisz van Neck verliet volgens zijn scheepsjournaal in mei 1598 met een vloot van acht schepen de haven van Texel om uit naam van de Staten van Holland koers de specerijenroute naar Oost-Indië open te leggen. Men rondde de kaap van het Afrikaanse continent en voer de Indische Oceaan op, waar een zware storm de zeemacht uiteensloeg.

Vice-admiraal Wybrand (ook wel Wysbrand) van Warwyck hield een oostelijke koers aan met vijf bodems: de Amsterdam, de Zeeland, de Gelderland, de Utrecht en de Vriesland. Op 17 september kreeg hij land in zicht, een eiland, dat na enige omzichtige verkenningen op 20 september 1598 werd betreden aan zuidoostelijke zijde. Het bleek onbewoond, men trof slechts pluimvee, varkens, honden en een merkwaardige soort vogel aan, die men dodo noemde. Uit naam van de staten annexeerde van Warwyck het eiland en noemde het Mauritius, Latijn voor 'van Maurits'. De zoon van Willem van Oranje, prins Maurits (1567-1635), graaf van Nassau en later eveneens prins van Oranje, was op dat moment stadhouder van Holland.

Mauritius - ook de Franse naam L'Île Maurice werd veel gebruikt - diende aanvankelijk als bevoorradingsplaats voor de Hollandse zeevaarders van en naar de nieuw verworven kolonie, Nederlandsch-Oost-Indië. Het eiland was rijk aan ebbehout, vruchten en pluimvee en beschikte over ideale natuurlijke havens. Het eiland werd keurig in kaart gebracht en voorzien van Nederlandse namen: de Katjesberg, de Molenrivier, Walvischhoek, de Slapershaven, de Ebbenhoutsbaai.

Tussen 1615 en 1638 werd het eiland door de Nederlanders nauwelijks benut. Aanleiding vormde het vergaan van het schip met aan boord Pieter Both, gouverneur-generaal in Batavia. Op weg naar huis, in 1615, kwamen zijn schepen in een verwoestende cycloon terecht en vergingen met man en muis. Dat was zo'n schok voor de Hollandse zeevaarders dat men lange tijd Mauritius meed. Het zou er niet pluis zijn.

En Boths geest waart nog steeds rond op Mauritius. Vrijwel alle Nederlandse namen zijn verdwenen maar de Pieter Both is blijven bestaan, als berg. Hoog torent hij uit boven de hoofdstad, een vervaarlijke rots, die iets weg heeft van een omgekeerde emmer zand van een kind. Bovenop staat een rond gevormd stuk steen, 'zijn hoofd', dat voor altijd uitstaart over de zeeën.

Meedogenloos

Pas na enige decennia waren er serieuze plannen om van Mauritius een kolonie te maken. De eerste gouveneur, Cornelis Simonz Gooyer, liet aan de oostkust een fort bouwen, Frederik-Hendrik genaamd. De Hollandse zeelieden voerden slaven aan uit het naburige Madagascar om het land te bewerken, evenals voor vergrijpen veroordeelde Javanen die voor straf werden overgebracht uit Nederlands-Indië.

Deze twee bevolkingsgroepen vormden de basis van de huidige, zeer gemengde bevolking van Mauritius. Erg geliefd maakte de leden van de Hollandse nederzettingen zich in de zeventiende eeuw niet op Mauritius en omgeving. De auteur P.J. Barnwell omschrijft de mentaliteit van de Nederlanders, zoals die overkwam op anderen, als volgt: “De Nederlanders plaatsten handel op de allereerste plaats, meteen gevolgd door meedogenloosheid. Religie stond op een schamele derde plek, terwijl cultuur in geen velden of wegen te bekennen was.”

Intussen waren de Hollandse bewoners er ook achter gekomen dat de westkust van Mauritius veel minder windgevoelig was; daar werd een nieuwe natuurlijke haven ingericht, de Noord-Westerhaven, plaats van de huidige hoofdstad Port Louis. Op deze plaats zal vandaag de feestelijke 'terugkeer' van de Nederlanders beginnen. Prins Maurits vaart aan boord van het fregat Hr. Ms. Philips van Almonde de haven binnen, waar hij met saluutschoten zal worden verwelkomd.

Resten van het fort zijn er nog, nabij Vieux Grand Port. Dikke muren van basaltblokken, sommige verstrengeld met forse plantenwortels, staan nog op hun plaats. Mauritius is van plan de locatie in ere te herstellen, de ruïne zal een monument worden. Ter ere van de Oranje-Nassaus is er alvast een keurig twintigste eeuw klinkerstraatje omheen aangelegd, want het moet ook wat lijken als de prins en prinses om de fundamenten van hun voorgeslacht heenlopen. De opperman van het werk leunt op zijn schop, rookt een sigaretje en zegt dat het zondag een mooie dag zal worden.

Tot 1710 bleef de VOC Mauritius in bezit houden. De 'ontdekking' van Kaapstad, in 1652 door Jan van Riebeeck, als ideale pleisterplaats, halfweg tussen oost en west, reduceerde geleidelijk aan het belang van Mauritius. Bovendien had de VOC in toenemende mate last van piraterij voor de kust. Daarom besloten de Staten zich terug te trekken; de Fransen en vanaf 1810 de Engelsen kwamen voor hen in de plaats. Nog altijd is het sinds 1968 onafhankelijke Mauritius een merkwaardige kruising van culturen. De Nederlandse invloed is, op een enkele aardrijkskundige naam na, zo goed als verdwenen. De officiële voertaal is Engels, de meest gebezigde taal is Frans, het verkeer weer linksrijdend.

Walgvogel

Om twee dingen zijn les Hollandais 'beroemd' gebleven in Mauritius, zo beroemd dat voor beide monumenten zijn opgericht. Mauritius dankt zijn suikerriet aan de Hollanders. In december 1639 voerde gouverneur Adriaan van der Stel deze plant in, elders uit Afrika. Men wilde zelfvoorzienend zijn in de nederzetting op het eiland en daarin paste een kleine suikerproduktie. Suikerriet groeide uit tot verreweg het belangrijkste gewas op Mauritius, waar men ook gaat, overal staat suikerriet en roken de schoorstenen van de fabrieken.

De andere 'bijdrage' is minder roemrijk. Een ieder die in Mauritius 'bekent' uit Pays Bas te komen, wordt er door de lokale bevolking mee geplaagd: “ Ah, jullie hebben alle dodo's opgegeten.” De dodo (didus ineptus) was een grote plompe vogel die niet kon vliegen en dus eenvoudig te vangen viel. Lekker was het vlees volgens de logboeken uit die tijd niet, niet voor niets spraken de zeelieden aanvankelijk over de walgvogel. Maar honger maakt rauwe bonen zoet, als er schepen aanmeerden in Mauritius, na weken, maanden op zee te zijn geweest, waren de manschappen zo uitgehongerd dat men alles wat voor handen was at. Het woord dodo is vermoedelijk van Hollandse origine en een verbastering van 'doodoor' of domoor. Eind zeventiende eeuw waren alle dodo's op Mauritius op, de laatste Hollandse gouverneurs maakten er geen melding meer van. Waren de Hollandse kolonisten volledig verantwoordelijk voor het uitsterven van de dodo? Volgens Denis Piat, auteur van L'Île Maurice, sur la route des épices, speelde de Hollandse aanwezigheid een belangrijke rol. Piat wijst er echter op dat de dodo de Darwinistische survival for the fittest vermoedelijk ook zonder de mens niet zou hebben overleefd. Het logge dier moest het afleggen tegen andere soorten. Bovendien legde het vrouwtje maar één ei per jaar, dat vaak ten prooi viel aan andere dieren. “Deze vogelsoort was aan het eind van de zestiende eeuw, op het moment dat de Hollanders kwamen, al bezig te verdwijnen en het is enigszins arbitrair om de Hollanders de hele schuld in de schoenen te schuiven”, aldus Piat. Hoe het ook zij, voor de inwoners van Mauritius van nu hebben gemakshalve de Hollanders hun dodo uitgeroeid. Maar ze zeggen er bij: “Daardoor zijn wij èn de dodo wel heel bekend geworden.”

Wat is de uiteindelijke bijdrage van de Hollanders aan Mauritius geweest? Een heel kleine, volgens de historicus Kissoonsingh Hazareesing. In diens standaardwerk A New History of Mauritius is hij erg kritisch over de Nederlandse rol. “De invloed van de Nederlanders op de geschiedenis van Mauritius is niet van erg groot belang geweest. Ja, ze gaven het eiland zijn naam. En ze introduceerden er, hoewel nauwelijks met succes door hen zelf ontwikkeld, suikerriet, dat uiteindelijk de economie zou bepalen. Ze roeiden de dodo uit en hadden het eiland praktisch ontdaan van alle hout. Ze lieten niets achter voor degenen die na hen kwamen.”