In Albanië kun je nog voor God spelen; Verwarde aanhangers van Nano en Berisha varen blind op hun leider

Het Albanese volk vecht voor regels die rust en orde brengen. Het wil moreel leiderschap, maar premier Nano en oppositieleider Berisha zijn verstrikt in een persoonlijke vete. Alleen internationale druk houdt de partijen in balans. 'Er moet een einde komen aan de poging om via de straat politiek te bedrijven.'

Vroeger was er een lieflijk park aan de oevers van het riviertje Lana, dat gekanaliseerd recht door Tirana stroomt. Veel bomen, groen, bankjes. Menige Albanees heeft zoete herinneringen aan de uren die hij daar heeft doorgebracht.

Nu stinkt het water en ligt het vol afval. Het park is veranderd in een wirwar van bars, winkeltjes, gokhallen, speelzalen en andere verworvenheden van het kapitalisme. De zone is in bezit genomen, zonder regels, zonder bouw-, veiligheids- of andere vergunningen. Loop een winkel binnen en vraag of ze een vergunning hebben en de mensen achter de toonbank beginnen te stotteren. Of ze liegen staalhard dat alles oké is.

Het is een land dat acht jaar geleden, na de val van het communisme, in veel opzichten opnieuw is begonnen. “Alle controle viel weg. Het land ging van totale regels naar totale anarchie”, zegt Daan Everts, ambassadeur van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE). “De staat is slecht verklaard. De Albanezen eisten het recht op om alles te doen wat de staat tot dan toe had verboden.”

Met de komst van democratie en kapitalisme groeiden de georganiseerde misdaad, de corruptie en de smokkel van drugs, wapens, sigaretten en mensen. Er waren geen regels. Politiek is geen beleid maken, maar het uitoefenen van macht. Macht op een ouderwetse, bijna feodale manier. Macht in een systeem waar mensen, bij gebrek aan andere referentiepunten als recht of burgerzin, zich richten op hun leider. In Albanië kun je nog voor God spelen.

Maar een groeiend aantal Albanezen wil niet langer meer overgeleverd zijn aan de grillen en persoonlijke vetes van hun leiders. Ze willen een steviger raamwerk voor hun samenleving. “Als je hier met twintig man een partij zou oprichten die vrede belooft, geloofwaardig, ben je binnen de kortste keren de grootste”, zegt bankier Ardian Fullani.

Op de stoep buiten de winkelwirwar zit Veli Binjaku op een omgekeerde krat. Voor hem staat een roestige weegschaal. Vroeger heeft hij gewerkt bij Stalin Textile Combined, een grote kledingfabriek. Maar de ouderwetse Chinese machines waren rijp voor de sloop en nu moet de 54-jarige Binjaku een boterham verdienen aan de schaarse Albanezen die zich zorgen maken over hun gewicht. “Politiek, politiek. Albanië heeft te veel politiek en de verkeerde soort”, zegt hij. “Zowel Nano als Berisha zouden zich moeten bezighouden met de problemen van het land in plaats van met hun onderlinge vetes.”

Veel inwoners van Tirana zeggen het hem na. Zorgen dat hun land een ruggengraat krijgt. Dat het openbaar bestuur niet bij het eerste beste probleem wankelt. Dat er een minimum aan regels wordt gerespecteerd die rust en orde brengen, begrippen die hier een heel andere waarde hebben dan in het veel stabielere Westen.

Endemische corruptie

Maar in de machtsstrijd tussen de twee voormalige communisten, premier Nano en oppositieleider Berisha, krijgen die wensen weinig aandacht. Berisha, door een waarnemer hier omschreven als die 'would be fascistische dictator' loerde al maanden op een kans zijn aartsrivaal Nano uit het zadel te wippen. Als bekwaam volksmenner speelt hij daarbij in op wat hen scheidt: Nano is de halve Griek uit het zuiden, Berisha de rauwe hooglander uit het noorden.

Eigenlijk heeft Nano de eerste voorzet gegeven door zich niet te verzetten tegen de arrestatie, in augustus, van zes kopstukken van de Democratische Partij. Het was de wraak van Vlore voor het harde optreden van de politie tijdens de rellen vorig voorjaar onder president Berisha. Deze arrestatie, op de belachelijke beschuldigingen van misdaden tegen de menselijkheid, stond haaks op de belofte dat er geen politieke vervolging zou zijn. Te laat, gisteren pas, is voor drie arrestanten de celstraf omgezet in huisarrest.

Toen vorige zaterdag Azem Hajdari werd vermoord, de man die als leider in de studentenopstand in 1990 een hoofdrol speelde in de val van het communistische bewind, kreeg Berisha nog meer munitie. Of Hajdari nu is vermoord wegens een persoonlijke vete of om politieke redenen, Berisha kon er handig mee inspelen op de traumatische herinneringen die veel partijgenoten nog hebben aan de vervolging onder dictator Hoxha.

Daarbij komt de corruptie. Die hoort een beetje bij een arm land als Albanië. Politieagenten, douaniers, ambtenaren, iedereen houdt min of meer dwingend zijn hand op. “Als we zouden afspreken dat van ieder Albanees gezin één lid zes weken dienst mag doen bij de douane, dan is het enorme armoedeprobleem in één klap opgelost”, zegt een buitenlandse advocaat.

Maar onder Nano is er wel iets veranderd. Van Berisha kun je veel zeggen, maar niet dat hij persoonlijk corrupt is. Hij wil de macht, niet de centen. Onder Berisha was iedereen een beetje corrupt, onder Nano is het probleem openlijker en groter geworden. Symbool daarvoor is vice-premier Bashkim Vino die tientallen miljoenen guldens op de bank zou hebben. Nano wordt vaak verweten dat hij op geen enkel gebied moreel leiderschap heeft geboden.

“Corruptie is altijd endemisch geweest in Albanië, maar de structuur is veranderd”, zegt OVSE-ambassadeur Everts. “Nu is de corruptie grootschaliger geworden, in een kleinere kring.”

Met de dood van Hajdari, de arrestaties, de corruptie en de nauwelijks beteugelde macht van mafiosi en gewone misdadigers had Berisha munitie te over voor zijn strijd tegen Nano. “Op zondagmorgen, net na de moord op Hajdari, stond Berisha ijzersterk”, zegt een buitenlandse diplomaat. “Hij had het kabinet een hele lijst concessies kunnen afdwingen.”

Maar Berisha wilde meer. Hij zocht de chaos, denkend dat regering, leger en politie wel door de knieën zouden gaan. Premier Nano sloeg inderdaad op de vlucht, maar minister van binnenlandse zaken Perikli Teta liet met zijn fysieke aanwezigheid zien dat er geen totale anarchie was. Het dagblad Albania schreef schamper dat Teta van angst iedere twee uur een schone onderbroek moest aandoen, maar zijn optreden heeft er toe bijgedragen dat het kabinet maandag aan het eind van de dag de situatie weer meester was.

“Ik ben op dit moment niet voor Nano en niet voor Berisha”, zegt een man, terwijl hij op het Skanderbergplein staat te kijken naar de passerende stoet demonstranten van Berisha. “Maar voor dit land is het goed dat is vastgesteld dat je niet zomaar regeringsgebouwen kunt beschieten. We hebben al genoeg anarchie gehad.”

Tegenover deze oplaaiende passies, dit geweld van de straat, lijkt de internationale gemeenschap machteloos. De tientallen miljarden guldens aan hulp hebben geen gematigdheid kunnen zaaien. Maar OVSE-ambassadeur Everts is er juist van overtuigd dat internationale druk, van hem, van Italië en van de Verenigde Staten, erger heeft voorkomen. “We hebben er bijvoorbeeld voor gezorgd dat het door de democraten bezette tv-gebouw maandag werd ontruimd vlak voor het zou worden bestormd. We zeiden: jullie moeten weg, anders gaan er tweehonderd man dood.”

Evers vertelt dat er zondag en maandag veel harde woorden zijn gesproken, tegen beide partijen. Op een gegeven moment maandag was hij op twee lijnen tegelijk in gesprek: Democraten-voorman Genc Pollo op de zaktelefoon, vice-premier Kastriot Islami op de gewone telefoon. De vice-premier leek ermee te willen ophouden, maar hij putte moed toen hij Everts tegen Pollo hoorde praten. Deze kreeg te horen dat de internationale gemeenschap een nieuwe regering die uit de chaos zou voortkomen, niet zou erkennen. Everts voegde daaraan toe dat de leiders van de Democratische Partij persoonlijk verantwoordelijk zouden worden gehouden voor moorden en geweld.

Jakhalzen

Italië en de VS hebben zich volgens Evers even hard opgesteld. Ze hebben Berisha gezegd dat geweld onaanvaardbaar is, ze hebben Nano voorgehouden dat hij de corruptie en de misdaad aan moet pakken en de zaak niet op de spits moet drijven met een arrestatie van Berisha. En ze hebben beide gedreigd de geldkraan dicht te draaien. “De Italiaanse premier Prodi heeft een fantastische rol gespeeld, en de VS waren veel gedecideerder dan die wishywashy Europeanen. Het is teleurstellend dat de Europese Unie zo weinig decisief is op beslissende monenten. Dan moet je het toch hebben van een krachtige bilaterale interventie.”

Tijdens het gesprek komt een Albanees even aan tafel zitten en zegt dat Everts met zijn actieve bemiddelende rol de echte president van Albanië is. Everts antwoordt dat hij vooral een bijdrage wil leveren aan stabiliteit en herstel van wettig gezag. “Je kunt van Nano denken wat je wilt, maar hij doet alles wat de Wereldbank en het IMF van hem vragen. Door de destructieve destabiliseringspolitiek van Berisha krijgt hij geen kans. Daardoor komt het land ook niet toe aan de oplossing van andere problemen. Berisha voert een deloyale oppositie. De chaos komt de misdaad en de struikrovers juist goed uit. Het is een vicieuze cirkel die moet worden doorbroken.”

Zijn harde woorden maken hem niet geliefd bij de Democratische Partij. Gistermorgen, toen nog onduidelijk was hoe de demonstratie van Berisha's aanhang zou verlopen, kreeg hij het dringende advies in zijn hotel te blijven. Hij hield het een uurtje vol, maar sprong toen toch weer in de OVSE-jeep.

“Voor Albanië is er maar één oplossing, los van wie er aan de macht is: er moet een einde komen aan de poging om via de straat politiek te bedrijven.” Ferdinando Vacca is vice-directeur van de Italiaans-Albanese bank, vijf jaar geleden opgericht en nu de grootste bank van Albanië. Hij is ervan overtuigd dat de meeste Albanezen niet warm lopen voor de machtsstrijd tussen Nano en Berisha. “Er zijn hier drie miljoen Albanezen die vooral rust willen, en een paar honderd man met kalashnikofs. Die laatste vertegenwoordigen alleen maar zichzelf.”

Vacco heeft bij buitenlandse klanten nog geen grote ongerustheid bespeurd na de rellen van zondag en maandag. “Het vertrouwen is juist aan het groeien. De ongeregeldheden van deze week zijn ook heel anders dan die van vorig voorjaar. Toen was het heel andere muziek: heel het land was in op opstand, ook buitenlandse investeerders werden aangevallen.”

Over de rellen van maandag zegt hij: “Het volk wil deze mensen niet. Er is maar een twintigtal zaken geplunderd, door jakhalzen, Albanezen die wat meer lek in handen willen hebben.” Een vriend vertelde hem dat ook zijn zaak was opengebroken, zonder veel schade, maar toen hij zijn dure Italiaanse schoenen wilde aantrekken stond in plaats daarvan een paar afgetrapte laarzen. Een plunderaar met dezelfde maat.

Vacca is ervan overtuigd dat de rellen alleen maar een episode waren, die mogelijk alweer is afgesloten met de voor Berisha lage opkomst op de 'nationale' protestdag gisteren. “We mogen nooit vergeten dat Albanië een kind van acht jaar is dat moet werken als een man van veertig. Dat gaat niet altijd vlekkeloos.”

Maar hij zit al te lang in het land om niet een slag om de arm te houden. “De Albanezen blijven natuurlijk een volk van Levantijnen: onvoorspelbaar, snel van mening veranderend, licht ontvlambaar. Helemaal zeker weet je het nooit.”