Het Zweedse model is vermoeid

Morgen kiest Zweden een nieuw parlement. De grote partijen lijken nog niet te willen toegeven dat Zweden geen paradijselijk eiland meer is. De armoedefuik bedreigt ook de Zweden.

STOCKHOLM, 19 SEPT. Af en toe waagt iemand zich er tegenwoordig aan, ook al gebeurt het nog steeds heel omzichtig. Twaalf jaar na de dood van Olaf Palme durven de meeste Zweden nog steeds geen grap te maken over hun geliefde premier, die bij een bezoek aan de bioscoop in de straten van Stockholm werd vermoord. Als iemand de moed heeft, hoeft hij niet te rekenen op een uitbundige lach, want voor de meeste Zweden betekent Palme's dood nog steeds een pijnlijke herinnering.

Met Olaf Palme stierf volgens velen ook het oude Zweden. Het land dat ooit voorop liep bij het aanklagen van internationale misstanden, met een premier die openlijk de degens kruiste met de VS over de Vietnam-oorlog en met Zuid-Afrika over de apartheid, is intussen niet meer dan een regio van de Europese Unie, en niet eens een van de rijkste of invloedrijkste.

Het 'Zweedse model', een krachtige welvaartsstaat die zich liefdevol ontfermt over al zijn burgers, lijdt aan ernstige vermoeidheidsverschijnselen. De immense belastingen, noodzakelijk om de sociale zekerheid van de wieg tot het graf te betalen, drukken zwaar op de economie.

Op de lijst van de rijkste landen van de wereld is Zweden sinds de jaren zeventig gekelderd van de vierde naar de achttiende plaats. Het groeiende aantal ouderen en de toevloed van immigranten hebben het systeem de laatste jaren alleen nog maar verder opgerekt.

Maar met het oog op de parlementsverkiezingen van morgen hebben de politieke partijen zich toch weer teruggetrokken achter hun traditionele stellingen. De zittende sociaal-democratische premier Göran Persson, heeft in de aanloop naar de verkiezingen de strenge financiële teugels van de afgelopen jaren flink laten vieren. Zijn opponent, de conservatieve Carl Bildt, hamert juist op de noodzaak om de overheidsfinanciën op orde te brengen door de belastingen te verlagen, de staatsschuld weg te werken en een minder recalcitrante houding aan te nemen tegenover de Europese Unie (door bijvoorbeeld zo snel mogelijk toe te treden tot de monetaire unie).

Van de kleinere partijen is vooral de Vänsterpartiet, de voormalige communistische partij, een luis in de sociaal-democratische pels. De populistische Gudrun Schyman, die nog niet zo lang geleden openlijk opbiechtte hoe ze haar drankprobleem te boven is gekomen, hamert op oude Zweedse thema's. Ze wil desnoods de belastingen verhogen om de sociale zekerheid te kunnen betalen en om 100.000 nieuwe banen te scheppen in de publieke sector.

Het succes van haar partij (in de opiniepeilingen staat ze op meer dan elf procent, bijna een verdubbeling ten opzicht van de verkiezingen van 1994) bewijst hoezeer veel Zweden nog steeds hunkeren naar die oude welvaartsstaat. Maar de wereld ziet er niet meer zo uit als dertig jaar geleden. Ericsson, een van de succesvolste Zweedse bedrijven van de laatste jaren, kan tegenwoordig gemakkelijk dreigen zijn hoofdkantoor naar Londen te verplaatsen om aan de enorme belastingdruk te ontsnappen. Al zeggen Zweden die op vakantie gaan naar Duitsland of Frankrijk nog steeds dat ze “naar het continent” zijn geweest, Zweden is geen paradijselijk eiland meer.

De fattigdomsfälla, de armoedefuik, dreigt ook in Zweden. Toch hebben de sociaal-democraten, die de afgelopen zestig jaar vrijwel onafgebroken aan de macht zijn geweest, volgens Olaf Ruin, politicoloog aan de Universiteit van Stockholm, hun oude ideaal, gebaseerd op gelijkheid voor iedereen, nooit afgezworen.

Dat betekent dat kinderbijslag wordt gegeven, onafhankelijk van de hoogte van het inkomen, dat de ziektekostenverzekering in principe voor iedereen gelijk is, enzovoort.

Dat systeem was acceptabel in een tijd dat maatschappelijke verschillen niet al te groot waren. Maar de segregatie is volgens Ruin de laatste tijd sterk toegenomen. Het is niet langer vol te houden dat alle Zweedse scholen dezelfde kwaliteit leveren, nu in bepaalde buitenwijken van de grote steden meer dan 20 procent buitenlanders woont. Dat betekent dat het geld opnieuw verdeeld moet worden. En daarmee wordt geknaagd aan de wortels van het Zweedse model.

De meeste Zweden zijn echter geneigd veranderingen in het systeem te beschouwen als tijdelijke afwijkingen van het oude ideaal. Ze zijn nog steeds bereid diep in de buidel tasten om de welvaartsstaat overeind te houden.

Daarom kent de Zweedse sociaal-democratie geen Blair, geen dramatische vernieuwer die de stekeligste kantjes van de ideologie afvijlt. Hoe minder Persson wijst op de noodzaak tot veranderen, hoe populairder hij bij de kiezers wordt.

Dat hij voorstander is van Zweedse deelname aan de Europese muntunie, heeft hij in de campagne zelden hardop gezegd. Dat hij wil doorgaan met de sanering van de enorme staatsschuld en het financieringstekort, zegt hij ook niet al te hard. In feite verschillen de sociaal-democraten en de conservatieven ideologisch veel minder dan ze in de campagne van de afgelopen maanden hebben doen voorkomen.

Voor na de verkiezingen zou dat wel eens tot problemen kunnen leiden. De sociaal-democraten hebben parlementaire steun nodig van anderen om aan een meerderheid te komen. In de afgelopen regeerperiode was het de Centrumpartij, de vroegere boerenpartij, die de sociaal-democraten aan die meerderheid hielp. Maar partijleider Lennart Daléus heeft al gezegd dat hij daar weinig voor voelt - tenminste, als hij de kiesdrempel van vier procent nog weet te halen.

Dat zou Persson wel eens kunnen veroordelen tot de Vänsterpartiet. Schyman heeft haar voorwaarden al genoemd: belastingverhoging voor de hogere inkomens en een referendum over deelname aan de EMU. Het is een vooruitzicht dat Persson niet erg vrolijk zal stemmen.

Ook al denkt hij in staat te zijn de Zweden te kunnen overtuigen van de noodzaak van één Europese munt. Maar of hij met steun van Schyman een “warmer” Zweden voor iedereen zal weten op te bouwen, waar hij gisteren in een tv-debat voor pleitte, is de vraag.