GEYSERACTIVITEIT BIJ ONTSTAANSPROCES VAN STER WAARGENOMEN

Duitse en Amerikaanse astronomen hebben op grote afstand van een ster-in-wording de sporen van geyserachtige erupties waargenomen die met quasi-regelmatige tussenpozen bij de protoster zelf moeten hebben plaatsgevonden. De protoster bevindt zich in een schijf van gas en stof op een afstand van ongeveer 1300 lichtjaar in het sterrenbeeld Orion. Doordat we vanaf de aarde precies tegen de zijkant van die schijf aankijken, is de protoster niet te zien.

Astronomen denken dat jonge sterren het grootste deel van hun masasa verkrijgen via zo'n accretieschijf, die materie uit de samentrekkende oerwolk als het ware naar de protoster toe dirigeert. De protoster werd in de jaren tachtig gesignaleerd met behulp van de Nederlands-Amerikaanse infraroodsatelliet IRAS. Recente waarnemingen met infraroodtelescopen op Hawaii en Calar Alto (Spanje) laten zien dat uit de polen van dit object stromen moleculair waterstofgas in exact tegengestelde richtingen - loodrecht op het vlak van de schijf - de ruimte in bewegen.

Zo'n combinatie van schijf en jets is kenmerkend voor het geboorteproces van een ster. De gasstromen ontstaan door een ingewikkeld en nog slecht begrepen samenspel van verschillende krachten in dit roterende systeem.

Het gas in de bundels heeft een snelheid van ongeveer 200 kilometer per seconde en kan tot op een afstand van ongeveer 1,5 lichtjaar worden gevolgd. In het binnenste deel van de bundels zijn verdichtingen te zien, waarbij opvalt dat die in de ene bundel op vrijwel dezelfde afstanden van het centrum staan als die in de andere bundel.

Zo'n opmerkelijke spiegelsymmetrie is nog nooit eerder bij een protoster waargenomen. Meestal worden de gasstromen al dicht bij de protoster onstabiel als gevolg van de wisselwerking met het ijlere interstellaire gas waar ze doorheen ploegen (Nature, 27 augustus).

Gasbundels rond protosterren geven informatie over het geboorteproces dat hier plaatsvindt. De nu waargenomen spiegelsymmetrie zou volgens de astronomen wijzen op semi-periodieke fluctuaties in de samentrekking van de oerwolk waarin de protoster ontstaat. Die variaties zouden, uitgaande van de snelheden in de bundels, hebben plaatsgevonden op tijdschalen van 50 en 500 jaar.

Het opmerkelijke is dat ook rond de kern van sommige sterrenstelsels jets met verdichtingen zijn waargenomen. Hoewel deze bundels in geheel andere milieus ontstaan en geheel andere eigenschappen hebben, ligt er misschien een vergelijkbaar proces aan ten grondslag.