'Geschiedenis is de rouw van de literatuur'; ERASMUSPRIJSWINNARES MONA OZOUF OVER FRANSE REVOLUTIE EN SCHRIJFTALENT

Revolutierituelen, vrouwenbevrijding, Henry James én de desastreuze gevolgen van democratie. De historica Mona Ozouf is van alle markten thuis. Voor haar werk krijgt ze volgende week de Erasmusprijs. 'Alles wordt door de publieke opinie, de mode en de consumptiemaatschappij gereduceerd tot iets banaals.'

'DE FRANSE Revolutie blijft voor mij een mysterie. Die radicale breuk met het verleden, van het ene moment op het andere, en de enorme snelheid waarmee er schoon schip werd gemaakt, vind ik nog steeds verbluffend. In de nacht van 4 augustus 1789 (toen adel en geestelijkheid hun privileges inleverden, MD), begon voor Frankrijk de moderne tijd. Meteen daarna, in de eerste debatten van de Nationale Vergadering mocht niemand meer refereren aan iets uit het verleden. Je zou kunnen zeggen dat de hele negentiende-eeuwse Franse geschiedenis terug te voeren is op de breuk tussen het Ancien Régime en de Franse Revolutie. Pas de Derde Republiek (1871-1914) raakte daar een beetje los van en combineerde elementen uit de Franse Revolutie met de kritische erfenis van de Verlichting en de ideeën van de sociale utopie.'

In haar chique Parijse appartement spreekt de Franse historica Mona Ozouf met verve over de raadselen van de Franse Revolutie, een onderwerp dat haar al dertig jaar inspireert. Ze is de vorige avond teruggekeerd uit haar huis à la campagne om de eerste jurybijeenkomst van de Prix Fémina bij te wonen. Eén muur van haar appartement is bedekt met witte ruggen van de Bibliothèque des Histoires van Gallimard, een andere toont alleen de goudgestreepte van de literaire Pléiade-reeks. Gezeten naast een prachtige collectie snuifdozen vertelt Ozouf dat zij als historica nooit voor één bepaalde school heeft gekozen, maar 'lateraal' is gebleven. “Ik houd van onderwerpen waarin verschillende disciplines bij elkaar komen: ideeëngeschiedenis, politieke geschiedenis maar ook etnologie, antropologie en filosofie. Mijn boek over revolutionaire feesten was daar al een voorbeeld van.”

REVOLUTIONAIREN

In Het feest van de revolutie (1976) beschrijft Ozouf hoe de revolutionairen, naast een nieuwe jaartelling (de calendrier), een heel stelsel van nationale feesten instelden ter herdenking van bijvoorbeeld de bestorming van de Bastille, de val van de monarchie en het uitroepen van de Republiek, maar ook ter ere van gevallen helden of van de Jeugd, de Onderdaan of de Rede. De vaak plechtige herdenkingen werden beschouwd als aanvulling op de revolutionaire wetgeving en als middel tot versteviging van de sociale eenheid.

“De historici die zich toen bezighielden met de Franse Revolutie vonden het onderwerp maar zijdelings van belang en bovendien te etnologisch”, vertelt de historica, “alleen Alphonse Dupront zag het belang van mijn invalshoek. In departementale archieven heb ik vele duizenden verslagen van feesten tijdens de revolutie doorgenomen. Historici hechtten toen sterk aan volledigheid. Ook tegenwoordig zijn die proces-verbaux nog de enige bronnen. Nu zou ik het historiografische hoofdstuk wat uitbreiden, iets meer vertellen over de manier waarop historici als Edgar Quinet en Jules Michelet het fenomeen van het revolutionaire feest zagen. Heel lang ging men ervan uit dat een grotere historische afstand meer begrip, meer levendigheid zou opleveren. Daarmee ging men voorbij aan het feit dat de grands esprits uit die tijd, zoals Madame de Staël, Benjamin Constant of Louis de Bonald de nieuwe intellectuele, filosofische problematiek meteen - nog voor 1796 - doorgrondden. Over de periode van de Terreur bijvoorbeeld (juni 1793 tot juli 1794) weten wij nu veel beter waar de onderdrukking het ergste was, wie de slachtoffers waren en dergelijke. Maar Madame de Staël schreef al dat het geweld van de Terreur te wijten was aan het feit dat de revolutie niet alleen het gedrag van de mensen wilde veranderen, maar ook hun innerlijke goedkeuring wilde afdwingen. Met geweld kon je wel eenvormig gedrag tot stand brengen, maar niet de mentaliteit veranderen - dat was een eindeloze, hopeloze onderneming.”

In L'École de la France (1984), een bundel essais over de revolutie, de utopie en het onderwijs, beschrijft Ozouf op welke wijze de school door de revolutionairen werd ingezet om het ideaal van vrijheid, gelijkheid en broederschap te bereiken. “In feite deed de Franse Revolutie veel minder voor het onderwijs dan men over het algemeen denkt”, merkt Ozouf op. “De school op zichzelf was niet nieuw, maar de functie die zij kreeg was dat wel: van moraliserend instituut werd zij opvoedster van de burgers.” Zij werd ingezet voor de eenwording van de Franse natie, een thema dat het Ancien régime en de Franse Revolutie overigens gemeen hebben. Tijdens de monarchie werd deze eenheid weerspiegeld in de persoon van de koning.

De revolutionairen vonden een equivalent in de school - het middel bij uitstek om de jeugd te modelleren naar het ideaal van de vernieuwde mens, L'homme régénéré, een concept dat Ozouf uitwerkte in een boek met dezelfde titel. Wat in haar werk opvalt is dat Ozouf vaak aandacht besteedt aan de positie van de vrouw, zonder er overigens feministische denkbeelden op na te houden. De rol die vrouwen speelden tijdens de Franse Revolutie en daarna was volgens haar cruciaal. “De revolutionairen slaagden er niet in met de kerk tot overeenkomst te komen, dat was één van de punten waarop de revolutie mislukte. De breuk met de kerk - die per definitie louter en alleen gevuld was met vrouwen - was niet voorzien en niet gewild. Hoewel de revolutionairen alleen spraken over l'homme nouveau en niet over la nouvelle femme, dachten zij de vrouwen voor hun zaak te kunnen winnen. Volgens mij zagen ze over het hoofd dat vrouwen aan tradities hechten omdat zij verantwoordelijk zijn voor volgende generaties. Zij hadden een afkeer van de wreedheid van de Terreur, van de offers die er voor het vaderland gebracht moesten worden, van de schending van het privéleven. Hun tegenstand was taaier dan de revolutionairen hadden voorzien.”

In Les mots des femmes (1995), een boeiend essay waarin Ozouf haar historische kennis aanwendt in de interpretatie van door vrouwen geschreven literaire teksten - van Madame du Deffand uit de achttiende eeuw tot Simone de Beauvoir - werkt Ozouf haar standpunt verder uit. “Men zegt altijd dat de revolutie zo repressief is geweest voor vrouwen, maar in het begin was dat helemaal niet zo. De Franse Revolutie bracht de mogelijkheid tot scheiding, om redenen die voor mannen en vrouwen precies dezelfde waren. Ze stelde het burgerlijk huwelijk in, zodat ook binnen de familie de principes van vrijheid en gelijkheid golden. Toch verloor de vrouw haar positie in de aristocratische salons, waar ze op gelijke voet met mannen had verkeerd en waar veel waarde werd gehecht aan conversatie, het vrouwelijke talent bij uitstek. Tijdens de revolutie moest je kunnen spreken vanaf het spreekgestoelte, niet in de privésfeer. Op korte termijn werd de vrouw dus teruggestuurd naar de huiselijke sfeer. Op lange termijn vind ik dat de Franse Revolutie bevrijdend heeft gewerkt voor vrouwen, ook al is niet iedereen dat met mij eens. De revolutionairen hechtten veel belang aan onderwijs en opvoeding en daar het de vrouwen waren die de kinderen onderwezen, werden zij sleutelfiguren in het overdragen van de revolutionaire burgerzin. De vrouwenemancipatie in Frankrijk verliep via het beroep van onderwijzeres.”

In haar boek doet Ozouf een poging uit te leggen waarom de Franse vrouw pas zo laat stemrecht kreeg (in 1945). In de Derde Republiek kregen vrouwen geen stemrecht vanwege hun innige verbondenheid met de kerk, die de Republiek vijandig gezind was. Vrouwen werden om die reden niet gezien als onafhankelijke individuen. Dat de Franse vrouw pas zo laat stemrecht kreeg was volgens Ozouf niet het gevolg een archaïsch opgebouwde mannenmaatschappij of vrouwelijke verlegenheid. “In mijn ogen is het juist het tegenovergestelde”, zegt Ozouf met nadruk. “Het gaat om het radicalisme van de abstractie. Het principe van de democratie is dat aan geen enkel individu rechten worden verleend vanwege diens specifieke kwaliteiten. Daaronder valt ook het geslacht. De abstracte idee van recht, geboren tijdens de Franse Revolutie, is dat een individu juist rechten heeft omdat hij beroofd is van specifieke kwaliteiten. Men is dus tegen het idee om stemrecht te geven aan vrouwen, alleen omdat het vrouwen zijn. In Frankrijk was men er bijvoorbeeld ook tegen om, na de Tweede Wereldoorlog, aan weduwen stemrecht te geven, zoals in België. De Franse vrouw wilde geen stemrecht als weduwe, maar als individu.”

OMSTREDEN

Het is een omstreden standpunt, maar de niet pur-sang historica Ozouf deinst daar niet voor terug. “Als filosofe vind ik bijvoorbeeld dat men in Frankrijk ideeën te veel heeft beschouwd als een soort super-structuren, die per definitie na de feiten komen. Dat is vaak helemaal niet zo. De idee van het algemeen kiesrecht bestond al lang voordat dit werkelijkheid werd. De formulering van zo'n abstract idee als 'één man één stem' kan alleen maar voortkomen uit de conceptuele verbeelding. Zeker als je in een maatschappij leeft waar grote ongelijkheid bestaat tussen individuen.”

In haar meest recente boek, La muse démocratique (1998) analyseert Ozouf met een historische invalshoek het literaire werk van de Amerikaanse romanschrijver Henry James. “Ik raak op een leeftijd waarop ik me wil bezighouden met wat ik het leukste en het boeiendste vind, en dat is de literatuur. Had ik schrijftalent gehad, dan zou ik niet voor de historische wetenschap hebben gekozen. Geschiedenis is voor mij le deuil de la litérature, de rouw van de literatuur” zegt zij met iets van spijt in haar stem. “James is geen historische of politieke schrijver. Hij maakte geen naturalistische fresco's à la Zola en verkondigde geen theorie. Hij schiep personages en intriges en wist daarmee op een briljante manier politieke situaties te doorgronden, zoals bijvoorbeeld het anarchistische milieu in Londen van de tweede helft van de negentiende eeuw. Sommige van zijn romans vind ik profetisch. Zijn analyse van het terrorisme, waarbij een slachtoffer puur als zinnebeeld wordt gekozen en niet omdat hij speciale deugden of ondeugden heeft, is helemaal van deze tijd. Ook zijn visie op Frankrijk heeft mij met stomheid geslagen. Toen hij als journalist in 1871 in Parijs aankwam en in louter antirepublikeinse kringen vertoefde, schreef hij al dat de republiek een blijvend karakter zou hebben. James was één van die reizigers die een land begrijpen tijdens de korte tocht van station naar hotel.”

Ozouf is ook bijzonder onder de indruk van James' vooruitziende, waarschuwende blik op de desastreuze gevolgen die de democratie zou hebben op kunst en op de roman in het bijzonder. “Door zijn werk ageerde hij tegen de eenvormigheid en de platheid die het gevolg zijn van de democratie. Alles wordt door de publieke opinie, de mode en de consumptiemaatschappij gereduceerd tot iets banaals. Iedere vorm van evaluatie wordt er beschouwd als anti-democratisch, als elitair, dus ook de literatuur. De visie die James in The Bostonians gaf op de publiciteit, geldt nu nog. Er treedt een versneld verouderingsproces op, zowel voor kunstwerken als voor mensen. Een roman heeft tegenwoordig een levensduur van drie maanden. Het talent, het genie, alles wat boven het gemiddelde uitsteekt is verdacht in de ogen van de democratische publieke opinie. Daarom kent men in het huidige literatuuronderwijs aan het stripboek hetzelfde statuut toe als aan het werk van Proust. Wie protesteert wordt uitgemaakt voor archaïsch, elitair en reactionair. Dat is dodelijk voor de literatuur.”

Op vrijdag 25 september houdt Mona Ozouf, om 15.30 uur, haar Heineken Lecture 1998 in het Trippenhuis, Kloveniersburgwal 29, Amsterdam. Op maandag 28 september wordt ter ere van Mona Ozouf, aanvang 20 uur, een symposium gehouden over 'Culture et nation'. Plaats: Maison Descartes, Prinsengracht 644A, Amsterdam.

Loopbaan Mona Ozouf

Mona Ozouf studeerde filosofie aan de École Normale Supérieure des Jeunes Filles in Parijs. Na haar afstuderen in 1955 gaf zij tien jaar les aan middelbare scholen. In 1968 begon zij haar carrière als historica aan het Centre National de la Recherche Scientifique (CNRS), waarvan zij inmiddels emeritus directeur is. De Franse Revolutie is de kern van haar werk, dat wordt gekenmerkt door dwarsverbindingen tussen politieke gebeurtenissen en culturele, symbolische en pedagogische elementen. In 1976 verscheen La fête révolutionnaire, in het Nederlands vertaald als Het feest van de revolutie (uitg. Bert Bakker). In 1988 publiceerde zij de Dictionnaire critique de la Révolution française, het eerste van een reeks boeken die zij publiceerde in samenwerking met haar collega en vriend François Furet (1927-1997). Van de negentiende-eeuwse historici van de Franse Revolutie bewondert zij vooral Alexis de Tocqueville ('hoewel hij niet echt een historicus is'), Jules Michelet en Jean Jaurès ('vanwege zijn superbe Histoire socialiste'). Veel is zij verschuldigd aan haar leermeester Alphonse Dupront, een historicus gespecialiseerd in religie, wiens postume oeuvre zij bezig is uit te geven. In 1995 verscheen Les mots des femmes (Fayard), een essay waarin zij, aan de hand van het werk van tien vrouwelijke literaire auteurs, beschrijft welke invloed de Franse Revolutie heeft gehad op de positie van de vrouw in Frankrijk. Begin dit jaar publiceerde zij La muse démocratique (Calmann-Lévy), een historische beschouwing over het werk van romanschrijver Henry James (1843-1916), toegespitst op de ambivalentie tussen democratie en literatuur.