Fietsen op Kleine Kei (1)

Vanuit de verte zie ik hem staan, op de veranda voor de 'kepastoran' van Langgur, een ouderwetse dienstfiets van vooroorlogs model. Moet ik daarmee het eiland rond? Broeder Cor, de eigenaar, staat er naast. Hij is een van de laatste Nederlandse paters en fraters in de Molukken en als technisch adviseur verbonden aan de plaatselijke STM (Middelbare Technische School). Als geen ander weet hij dat goed onderhoud de sleutel tot vooruitgang is en dat geldt zeker voor een fiets op een dunbevolkt eiland in de tropen.

“Kan dat wel zo, in korte broek?” vraag ik. Met een taxerende blik neemt hij mij op. “Een blanke vrouw op een herenfiets”, zegt hij bedachtzaam, “dat is hier op Kleine Kei een hele bezienswaardigheid.” En met een lichte grijns: “Dan valt zo'n korte broek niet eens meer op.”

Ik maak een rondje door de kampong, achter de pastorie. Alles loopt gesmeerd. De bel, de rem, het stuur, het werkt allemaal en ook de banden zien er uit alsof ze tegen een stootje kunnen. Bij het monument stap ik af: 30 juli 1942. Een paar jongetjes komen nieuwsgierig dichterbij. “Untuk apa?” vraag ik. (Waarvoor?) Onderzoekend nemen ze me op, dan doet de oudste een stapje naar voren. “Untuk Uskup Van Aerts”, zegt hij met een ernstig gezicht en begint meteen te doceren. “Belanda semua. Allemaal Nederlanders. Bisschop Van Aerts en twaalf pastoors en broeders. Ze zijn doodgeschoten, door de Japanners, daar op het strand. Iemand had beweerd dat ze spionnen waren. De lichamen moesten blijven liggen. Maar wij hier”, en met een breed gebaar wijst hij naar de kampong, “wij hebben hun lichamen geborgen en later hier op deze plek begraven. Pahlawan semua (Allemaal helden).”

Hardop lees ik de namen op de gedenkstenen. Die van Uskup Van Aerts ontbreekt. Hoe komt dat? Ook dat weet hij me haarfijn uit te leggen. “Die ligt in zee. Tijdens het transport vanuit Nederland is een van de gedenkstenen verloren geraakt. Uit de takels gevallen. Seharusnya begitu (Dat heeft zo moeten zijn).”

“Willen jullie op de foto?” vraag ik. “Voor het monument?” De jongen knikt. Ik loop een eindje terug; als ik me omdraai en door de zoeker kijk staat er een hele rij kinderen voor het monument, keurig in het gelid, als een laatste eerbetoon. Met ernstige gezichten kijken ze strak in de lens. Ik druk af. “Terima kasih.”

Een fles met water in het rugzakje en dan richting Tual, de hoofdstad van Kei Kecil. Bij de baai stap ik af om van het uitzicht te genieten, maar meteen wordt me dat ontnomen. Tientallen kinderen drommen om me heen: witte bloesjes, rode broek of rok, het uniform van de sekolah dasar (lagere school). “Dari mana?” (Waar vandaan?). Ze pakken het stuur beet, proberen de bel en de rem, knijpen in de banden en in mijn armen.

'Belanda' is mijn antwoord, en enigszins geïrriteerd: “Moeten jullie niet naar school?” IJverig schudden ze hun hoofd. “Nee, nee, morgen is het Hari Merdeka, de dag van de bevrijding, en vandaag wordt er geoefend.”

“Merdeka”, vraag ik met een onschuldig gezicht, “dari siapa?” Verbaasd kijken ze me aan, dan barsten ze los, diep verontwaardigd: “Van wie? Van wie? Van onze onderdrukkers natuurlijk. Orang Belanda. Die waren hier de baas. Maar wij wilden Merdeka. Toen hebben we ze het land uitgejaagd. Allemaal.”

“Allemaal?” vraag ik en wijs naar mezelf. Even is het stil, niet begrijpend kijken ze me aan. Dan schiet er een in de lach. “Belanda!” roept hij geestdriftig en wijst naar mij, “sudah kembali!” (al terug!). Nu hebben de anderen het ook door. “Belanda sudah kembali!”, dat is een goeie grap, uitgelaten kloppen ze elkaar op de schouders.

“Naik sepeda”, zegt een meisje (op de fiets) en laat de bel rinkelen. Dan hebben ze het niet meer, ze schateren het uit en liggen dubbel van de lach. Ik ook. Voorbijgangers blijven nieuwsgierig staan, het is tijd om te vertrekken.

Ik vervolg mijn weg de heuvel op, onder begeleiding van mijn vriendjes. De voorbereidingen voor de parade zijn in volle gang, tientallen groepen marcherende jongelui, middelbare scholieren. Allemaal in uniform. Het ziet er nogal militaristisch uit: snerpende fluitjes, bevelende stemmen, strakke gezichten en overal rood-witte vlaggen.

Statig fiets ik voorbij, af en toe vriendelijk wuivend alsof ik de troepen inspecteer. Verbeeld ik het me, of is het allemaal wat minder fanatiek dan voorgaande jaren? Een zwierige zwaai van de schouders, een licht wiegen met de heupen, hier en daar een vrolijke grijns? Zou dat soms een gevolg kunnen zijn van de 'Reformasi'?

Enthousiast rennen de kinderen voor me uit: “Belanda!” Ze wijzen naar mij: “Sudah kembali! Naik sepeda!” Het publiek lacht en zwaait uitbundig. Ik laat de bel rinkelen en probeer mijn gezicht zo goed mogelijk in de plooi te houden, wat maar gedeeltelijk lukt.