Fatos Nano

Voor zijn aartsrivaal Sali Berisha is Fatos Nano (46), leider van de socialistische partij en premier van Albanië, niets anders dan een stalinist, een terrorist en een verrader: de verpersoonlijking van het kwaad en de herbouwer van de dictatuur, die hij, Sali Berisha, ooit omverwierp.

Fatos Nano wàs een communist. De kleine premier, geboren in Tirana en opgeleid tot (plan)econoom, was ooit hoogleraar politieke economie en werkte bij dè denktank van het Albanese stalinisme, het instituut voor marxistisch-leninistische studies van Nexhmije Hoxha, de vrouw en later weduwe van Enver Hoxha die de denkbeelden van haar hardhandige en rechtlijnige echtgenoot tot op de dag van vandaag niet heeft opgegeven. Nano deed dat wel: hij leidde van maart tot mei 1990 even een overgangsregerinkje die na de val van Hoxha's stalinisme de overgang naar de democratie moest voorbereiden en dat tamelijk soepel deed. In juni 1990 werd hij voorzitter van de (ex-communistische) socialistische partij PSSh, een magere, bleke, bebrilde man, vloeiend in vele talen, niet zeer opvallend: een overgangsfiguur, vond men, net als de andere leiders van overgangsregerinkjes in 1990 en 1991 als Ylli Bufi en Vilson Ahmeti, van wie sindsdien niemand meer heeft gehoord.

In 1993 liet Sali Berisha, leider van de Democratische Partij (PD) en president, Nano oppakken. Als premier zou hij zeven miljoen dollar aan Italiaanse hulpgelden hebben verduisterd. In een proces, dat toen en later alom is gekenschetst als politiek van aard en juridisch dubieus, werd Nano in 1994 tot twaalf jaar cel veroordeeld. Hij verdween in de gevangenis van Tepelenë.

De gevangenissen in het nieuwe Albanië zijn niet meer de fabrieken des doods die ze onder Hoxha waren. Nano werd er dikker en dikker en mat zich een baardje aan. Belangrijker: ook van achter de tralies bleek hij in staat zijn partij te besturen - en te veranderen. De PSSh was toen nog een vergaarbak van uit de macht verdreven communisten, plaatsvervangend geleid door een ondervoorzitter die op zijn bureau hardnekkig een borstbeeld van Marx liet staan. Met zijn achter de tralies geschreven brieven, boodschappen, toespraken en bevelen slaagde Nano er echter in de partij te hervormen. Marx, Engels, Lenin, Stalin en Hoxha verdwenen in de prullenbak. De sociaal-democratie werd omhelsd.

En toen tijdens de golf van anarchie die Albanië begin vorig jaar overspoelde opstandelingen alle gevangenispoorten van het land openzetten en Nano naar buiten kwam, droeg hij een gouden polskettinkje met een gouden kruisje. Een dag later profiteerde hij van een algemene amnestie en kon hij zijn intrek nemen in het partijhoofdkwartier in Tirana. Bij de vervroegde verkiezingen van vorig jaar zomer vaagden de socialisten Berisha's democraten weg, Nano werd premier, met de taak een volstrekt verwoest land weer op te bouwen.

Sindsdien is de rivaliteit tussen de Intimfeinde Nano en Berisha een kwade, bittere loopgravenoorlog geweest, vol verbale krachtpatserij en zonder kans op zelfs maar een doorbraakje richting verzoening, met de mislukte coup van Berisha van afgelopen maandag als treurig dieptepunt. Het is een rivaliteit die weinig te maken heeft met concrete politieke of economische meningsverschillen. Het is eerder een oorlog tussen traditionele clanleiders, onbuigzaam en wraakzuchtig, waarbij Nano grofweg het 'open' zuiden en de stad en Berisha even grofweg het 'gesloten' en bergachtige noorden en de provincie vertegenwoordigt.