Een opvallende relatie

Een mens moet steeds ouder worden om van kunst te houden. In het geval van Mondriaans Victory Boogie Woogie toch zeker zeventig. Op die leeftijd kan pas echt doorvoeld worden waarom de verf en de plakkertjes zo en niet anders op het doek terecht kwamen. Wie de oorlogsjaren niet bewust heeft meegemaakt zal het hoe en waarom van deze Ode aan de Vrijheid immers moeilijk begrijpen. En voor de rest van Mondriaans werk moet men nog ouder zijn. Enige affiniteit met de heldhaftige materiestrijd van deze schilder veronderstelt een intellectuele oriëntatie die hedentendage nog slechts in een antroposofisch verzorgingstehuis wordt aangetroffen.

Maar niet alleen in het geval Mondriaan is een zekere leeftijd vereist. Eigenlijk geldt het voor alle moderne topkunst. Of het nu gaat om schilderkunst, muziek, literatuur of theater, van alle meesterwerken die deze eeuw heeft voortgebracht wordt het meest genoten door de grijze golf van boven de vijfenvijftig. Het lijkt wel alsof het hart zich dan pas opent, dat dan pas de overgave en de aandacht mogelijk zijn die belangrijke kunst van de beschouwer vraagt. Kijk in de museum- en concertzalen maar eens goed naar het publiek: het zijn de ouderen die weten hoe het hoort. Intens, maar waardig, savoureren zij het artistieke aanbod. De cultuurconsumptie passeert daarbij alle papillen.

Bij de dertigers en veertigers gebeurt dat allemaal veel slordiger. Rusteloos schuiven ze over hun stoel, in afwachting van de pauze als hun mobiele telefoons weer even mogen rinkelen. In de musea haasten zij zich door de zalen, niet zelden met een jengelend kind achter zich aan, op zoek naar het restaurant. De eerste echte belangstelling brengen ze pas op voor het aldaar geserveerde glas bier en het bord patat voor de kleine. Twintigers ziet men als het om echte kunst gaat al helemaal niet. Of het moet een excursie zijn van een Hogeschool voor de Kunsten, onder leiding van een wanhopige docent die zijn studenten een voor een de straat op ziet glippen.

In de Volkskrant van 12 september wordt dit verschijnsel door twee deskundigen geanalyseerd. De jeugdonderzoeker Tom ter Bogt van de Universiteit van Utrecht en de vrijetijdswetenschapper (d.i. iemand die betaald de onbetaalde tijd van anderen bestudeert) Wim Knulst wijzen de popmuziek aan als de grote boosdoener. Jongeren zien doorgaans veel meer in een house-party dan in een opera, zo blijkt uit onderzoek. Vooral rond hun twintigste is het uitgaansleven 'heel dominant'. Tijdens wat ter Bogt 'de seks en drugs en rock 'n roll-periode' noemt is er simpelweg geen tijd voor een bezoek aan museum of het lezen van een literair meesterwerk. Het leven stelt andere prioriteiten.

Komt de kunstliefde dan daarna? Volgens professor Knulst is dat een kwestie van tijd, want 'voor sommige zaken, zoals literatuur of de grote thema's uit de opera, moet je gewoon wat ouder zijn', stelt hij nuchter vast.

Maar de vraag is: hoe oud is 'wat ouder'? Wanneer is het afgelopen met de seks, drugs en rock 'n roll? Zelf ben ik bang dat er nooit een einde aankomt. Nu de viagrapil bij iedere apotheek te krijgen is, de cannabis op elk balkonnetje uitbundig bloeit en de Rolling Stones voor eeuwig op het Malieveld blijven neerstrijken, zullen de geneugten van de popcultuur ons tot en met de begrafenismuziek achtervolgen. Het is niet anders, de hele scene blijft dominant aanwezig.

De ironie wil dat de rock 'n roll, in de jaren vijftig stormachtig onthaald als dé bevrijdingsmuziek van deze eeuw, een culturele gevangenis is geworden voor de generaties daarna. Van The Beatles tot The Bangles, van funk tot jungle, van reggae tot rap, de pop veroordeelt haar aanhang tot een levenslang yeah, yeah, yeah.

Zo is het te verklaren waarom al die dertigers en veertigers zich nog steeds niet op hun gemak voelen in een concertzaal. Als ze niet mee mogen dansen gaat hun aandacht verloren. In een museum is het te stil, daar swingt het niet genoeg, en voor een dik boek is geen ruimte meer tussen de duizenden platen en cd's die de kasten vullen.

Toegegeven, er zijn uitzonderingen. Er zijn vroegoude jongeren, die om psychisch moverende redenen de voorkeur geven aan het Gemeentemuseum boven het Malieveld. En onder mijn beste vrienden tel ik veertigers die iedere vrijdag de kunstbijlage van deze krant opzij leggen om later nog eens te lezen. Maar wie nuchter naar de feiten kijkt weet dat het een verloren zaak is. In het algemene cultuurpatroon wordt de kunst weggeconcurreerd door 'het eindeloos variëren van een paar accoorden' (definitie van popmuziek, volgens dr. René Boomkens, de zojuist benoemde hoogleraar in deze muzieksoort aan de Universiteit van Amsterdam. Zijn leerstoel vormt het bewijs dat de rockgolf nu ook de academische wereld bereikt heeft. Er zullen ongetwijfeld zoveel studenten op af komen dat de rest van de 'culturele wetenschappen' wegens gebrek aan belangstelling gesloten kunnen worden.)

Wat moet de overheid doen, als zij nog iets van de kunst wil redden?

Het stomste is natuurlijk hiervoor een staatssecretaris te benoemen die zelf nog maar net veertig is. Iemand die in biografisch opzicht met één been in Paradiso staat, is nog lang niet rijp voor de grote thema's uit de kunst. Dat bleek op dramatische wijze toen Rick van der Ploeg onlangs zijn visie gaf op het kunstbeleid onder Paars II. Meer geld voor de popmuziek in Nederland, jazeker, daar wilde hij zich voor inzetten, dat was wat hem betrof dé culturele missie voor de komende vier jaar, liet hij vrolijk weten aan het begin van het nationale kunstseizoen. Een te gek ideetje, waarmee datzelfde seizoen in feite ook direct beëindigd werd.

Dat is jammer voor de oudere kunstliefhebber. Hem rest niets anders dan zijn Boogie Woogie.