Edo de Waart verdedigt met verve een veelkoppige draak

Concert: Radio Filharmonisch Orkest onder leiding van Edo de Waart. M.m.v. Anne Gjevang, mezzosopraan. Gehoord: 18 september in het Concertgebouw, Amsterdam.

Onlangs werd de uitvoering die het Gelders Orkest onder Lawrence Renes wilde geven van de Negende symfonie van Bruckner geannuleerd, na veel psychologische druk door Hans Vonk omdat deze kort daarvoor hetzelfde werk bij het gezelschap had gedirigeerd. Een uitvoering van dezelfde symfonie bij hetzelfde orkest zou, koud twee maanden na dato, nog te veel de artistieke signatuur van Vonk dragen.

Het is maar goed dat het Vonk niet ter ore is gekomen dat zo'n twee maanden nadat hij in het Concertgebouw bij het Radio Filharmonisch Orkest enkele liederen dirigeerde uit Des Knaben Wunderhorn van Mahler, collega Edo de Waart daar gisteren bij datzelfde orkest ook enkele Wunderhorn-liederen uitvoerde. Onder Vonk wilde het maar niet lukken de juiste atmosfeer voor Mahlers liederen te creëren. Onder De Waart lukte dat in het eerste concert uit de serie Einde van een Eeuw evenmin, hoe zeer hij het ook probeerde.

Door ziekte was Birgit Remmert verhinderd te zingen. De Noorse Anne Gjevang, die momenteel bij de Nederlandse Opera in Wagners Götterdämmerung zingt, werd aangezocht haar te vervangen, maar bleek amper voor die taak toegerust. Niet alleen dicteerde Gjevang het orkest soms tergend trage tempi en schoot haar episch talent tekort, ook stemtechnisch viel haar inbreng tegen. Teveel vibrato en een onverenigbaar kleurcontrast tussen haar hoge en haar lage register maakten van deze uitvoering zo'n misser, dat de NCRV er verstandig aan doet deze maar niet uit te zenden.

Programmatisch zat het concert weldoordacht in elkaar, met de Mahler-liederen ingeklemd tussen de oerversie van de Hymne voor orchest tutti violini soli van Alphons Diepenbrock en de Tweede symfonie van Alexander Zemlinsky. In Diepenbrocks oorspronkelijke orkestratie van de Hymne wordt de partij van de soloviool gespeeld door de eerste en tweede violen samen, hetgeen een uitgesproken weelderige strijkersklank oplevert. In vergelijking tot de bekendere orkestversie uit 1917 zijn bovendien de blazers, als tegenpartij van de strijkers, meer geprononceerd.

Zemlinsky's Tweede is een merkwaardig, haast onvolgroeid werk. In het eerste deel springt hij te zeer van de hak op de tak, in het tweede is het pendelen tussen mineur en majeur te doorzichtig. Saillant zijn vooral de rissen bijna-citaten. De Tweede symfonie van Schumann, Mendelssohns Italiaanse, Brahms I, Bruckner, Parsifal, Daar komt de bruid en nog veel meer huppelt in drie kwartier voorbij.

Zemlinsky's Tweede is een veelkoppige draak, maar De Waart verdedigde haar met verve, in het bijzonder de Finale, het meest evenwichtige deel van de symfonie. En daarin kun je De Waart alleen maar gelijk geven. Een serie die een beeld wil geven van het componeren aan het eind van de vorige eeuw hoeft niet louter uit meesterwerken te bestaan. Misschien zelfs bij voorkeur niet.