Dutchbat deed in Srebrenica wat het kon

Het debat over de gebeurtenissen in Srebrenica blijft voortgaan. Kolonel Ton Karremans ergert zich al geruime tijd aan de ongefundeerde kritiek die militairen en politici uitoefenen op zijn rol in het drama.

Ruim drie jaar na de val van Srebrenica krijgt deze tragische gebeurtenis met grote regelmaat volop aandacht in de media. Ook onlangs weer waren de val van Srebrenica en de rol van Dutchbat daarbij opnieuw voorpaginanieuws. Als commandant van Dutchbat heb ik het nieuws de afgelopen jaren gevolgd en ook de laatste publiciteitsgolf is mij niet ontgaan.

Het moment is gekomen om te reageren, want voor mij is de maat nu vol. Niet alles wat in de loop der tijd is geschreven, wil ik van commentaar voorzien. Vaak las ik onjuiste, tendentieuze of zelfs beledigende berichten en schampere opmerkingen.

Geregeld is mij gevraagd om te reageren. Dat heb ik tot nu toe niet gedaan. Lag dat aan mijn innerlijke, militaire discipline of koesterde ik de hoop dat de waarheid uiteindelijk toch wel zou worden opgeschreven? In ieder geval heb ik de laatste tijd niet stilgezeten. Ik heb een boek geschreven dat een dezer maanden zal verschijnen en ik heb mijn volledige medewerking gegeven aan het Srebrenica-onderzoek van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie. Ik heb mij de afgelopen jaren voortdurend gestoord aan het beeld in de media over de gebeurtenissen waarbij ik zo nauw betrokken was en over de verhoudingen in het bataljon waarover ik in Srebrenica het bevel heb gevoerd. Even erg steken mij de uitspraken van degenen met wie ik mij tot dusverre collegiaal en loyaal verbonden voelde.

Mijn reactie komt voort uit het dragen van verantwoordelijkheid onder onvoorstelbaar moeilijke omstandigheden en uit ergernis over het afschuiven van de schuld voor een dramatische gebeurtenis op de schouders van de mannen en vrouwen van Dutchbat. Het is voor iedere Dutchbat-militair onmogelijk om te berusten in de artikelen van de heren Von der Dunk en Ribbink (NRC Handelsblad van respectievelijk 17 en 22 augustus). In mijn reactie wil ik weinig woorden vuil maken aan de ronduit beledigende vergelijking met een vooraanstaande nazi en aan de beschuldigingen van volledig onbegrip en elk gemis aan elementair politiek inzicht.

Allereerst wil ik ingaan op de verwijten dat Dutchbat de moslimbevolking van Srebrenica in onvoldoende mate zou hebben geholpen en verdedigd, omdat het bataljon 'pro-Servische' sympathieën zou hebben gekoesterd.

Dutchbat diende zich als eenheid van de Verenigde Naties onpartijdig op te stellen. Rond Srebrenica stonden de Bosnische Serviërs tegenover zo'n veertigduizend moslims die in verschillende groepen waren verdeeld. Voor het merendeel bestond de bevolking van de enclave uit vluchtelingen van elders, voor een deel uit de oorspronkelijke bewoners, verder uit een kleine groep moslims die de militaire en civiele topposities bekleedden en tenslotte uit vier- tot vijfduizend militairen van het Bosnische regeringsleger. Geen enkele Nederlandse militair heeft ook maar de geringste aversie gehad tegen de eerste twee groepen. Dat gold helaas niet voor de moslimmilitairen en hun commandanten, die vaak van de misère van hun lotgenoten profiteerden. De Bosnische Serviërs hebben de veertigduizend inwoners van de enclave en het Nederlandse VN-bataljon stelselmatig voedsel, medicijnen en brandstof onthouden. Met zulke belegeraars loop je niet weg en daar koester je dus ook geen sympathie voor. En zo komt de opmerking 'er zijn geen good guys en geen bad guys' in een ander daglicht te staan. “Volgens Karremans was Mladic de 'good guy', de moslims waren de 'bad guys”', aldus de historicus Ribbink. Ik wil Ribbink graag een advies geven: ga opnieuw studeren.

Een tweede kanttekening wil ik plaatsen bij de kritiek op de leiding van het bataljon. Tegen de achtergrond van een hopeloze personele, operationele, logistieke en humanitaire situatie heb ik samen met mijn plaatsvervanger, majoor Rob Franken, elke dag al het mogelijke gedaan om aan de steeds slechter wordende situatie het hoofd te bieden. Dat gebeurde in het besef dat ons zelfs de meest elementaire middelen om onze taken naar behoren uit te voeren, ontbraken. Dag in, dag uit hebben we gezamenlijk op deze wijze leiding gegeven. Slechts één avond en de volgende morgen heb ik als gevolg van een verkeerde maaltijd verstek moeten laten gaan. Dit ongemak is niet te rijmen met uitspraken in NRC Handelsblad van 29 augustus dat ik 'gedurende lange tijd volledig van de kaart', 'instabiel' en 'volkomen in de stress' zou zijn geweest. Zelfs privé-omstandigheden in het verre Nederland (aldus 'bronnen in de landmachttop') worden ter staving aangehaald. Als uiteindelijk tot een parlementair onderzoek of een parlementaire enquête zou worden besloten, dan ben ik benieuwd of deze zegslieden hun uitspraken gestand doen. Ik vrees van niet.

Teleurgesteld ben ik door uitspraken van een aantal generaals buiten dienst en het Kamerlid Voorhoeve. Oud-bevelhebber Couzy zou beter moeten weten en het is ongelooflijk dat de voorzitter van de Nederlandse Officieren Vereniging, generaal-majoor b.d. Bruurmijn, zich op deze manier in het debat mengt. Ik laat de anonieme zegslieden ('ik wil niet genoemd worden') gaarne buiten beschouwing. Wees een vent en doe niet achterbaks.

Dat het Kamerlid Voorhoeve, die reeds bij zijn aantreden in 1994 concludeerde dat Dutchbat met een mission impossible was opgezadeld, nu zegt vooral in het belang van de achterban te hebben gehandeld, heeft mij verbijsterd.

Tot het moment waarop het bataljon in Nederland arriveerde, hebben we het hoofd koel gehouden en is alles gedaan wat onder de toen geldende omstandigheden van uitgemergelde blauwhelmen mocht en kon worden verwacht. Eén verkeerde beslissing zou - zonder enig soelaas voor de moslimbevolking in Srebrenica - hebben geleid tot een groot aantal slachtoffers en body-bags. Dan zou de reactie in Nederland een heel andere zijn geweest.

In dat licht moet ook de opluchting en in het verlengde daarvan mijn woorden over Mladic worden gezien (Karremans noemde Mladic onder meer 'een groot strateeg', red.). Ik heb spijt van mijn uitspraak, die bij velen de indruk wekte dat ik waardering zou hebben voor deze oorlogsmisdadiger. Dat is niet het geval, de uitspraak was fout en had nimmer geplaatst mogen worden.

Als officier van de Koninklijke Landmacht doe ik geen uitspraken over politieke besluiten over het in gang gezette onderzoek van de heer Van Kemenade en het justitieel onderzoek van het openbaar ministerie. Maar als commandant en oud-militair van Dutchbat sluit ik mij aan bij het groeiend verlangen om een parlementaire enquête te starten. Alleen op deze wijze kunnen alle betrokkenen onder ede worden gehoord en kan worden vastgesteld wat waar is van hetgeen in de media wordt beweerd. Ik hoop dat een manier kan worden gevonden waardoor het lopende Srebrenica-onderzoek van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie niet wordt geschaad. Ik heb grote bewondering voor de betrokkenheid en gedrevenheid van de onderzoekers en het zou uitermate spijtig zijn indien hun werk door een parlementaire enquête zou worden doorkruist.

Tenslotte is het van wezenlijk belang om stil te staan bij en morele steun te geven aan de mannen en vrouwen van mijn bataljon die al meer dan drie jaar, de één meer dan de ander, te maken hebben met de 'nasleep van Srebrenica'. Zij verdienen in mijn ogen het beste. Kunnen zij rekenen op steun en vertrouwen?