DE VIJF SCHROEVEN VAN LOEK HERMANS; Universiteiten moeten van nieuwe minister meer de markt op

ZES STUDENTEN die bedrijfskunde en informatica studeren op kosten van verzekeraar Fortis. De nieuwe minister van Onderwijs, Loek Hermans (VVD), zit daar niet mee. “Waarom zou ik daar tegen zijn - ik kan dat niet eens. Je kunt het vergelijken met een student die een lening afsluit bij een bank en een aflossingsschema vaststelt. Dat is een individuele keuze.”

Sterker nog: zodra Fortis genegen is zich financieel en inhoudelijk over het studieprogramma bedrijfskunde te ontfermen, wil de links-liberale minister daar best over praten. “Ik ben geen ideologisch dier dat zegt: Prima, meteen doen! Ik zeg ook niet: Nee nooit! Ik wil de grenzen opzoeken, zonder de kwaliteit van het onderwijs geweld aan te doen. Als bedrijven het curriculum gaan bepalen, gaat dat heel ver. Maar als je bij voorbaat zegt dat bedrijven niet mogen mee betalen, verandert er niets.”

Na negen jaar sociaal-democratisch gelijkheidsdenken is het ideologische tijdperk op Onderwijs voorbij. Loek Hermans hoopt zich op te werpen als een pragmatisch bestuurder zonder taboes. Als een bij uitstek paars bewindsman, zegt hij zelf. “De belangrijkste omslag in het onderwijsdenken is de veranderde opvatting over de verantwoordelijkheid van de overheid. Die komt pas op de tweede plaats, staat in dit regeerakoord. Na de verantwoordelijkheid van de ouders en leerlingen, de scholen en instellingen. En dus moet je hen als overheid vervolgens ook de ruimte en vrijheid laten zelf verantwoordelijk te zijn.”

Dat betekent dat studenten en scholieren, scholen en universiteiten van Hermans geen blauwdrukken en grootschalige onderwijsvernieuwingen hoeven te verwachten. Op basis van gesprekken met leraren, universiteiten en andere betrokkenen wil hij zich toeleggen op “accentverschuivingen, die het onderwijsstelsel bestuurlijk gezien aanpassen aan de eisen des tijds”. Vijf dagen per week (“in de weekenden en op de woensdagavond ben ik bij mijn gezin in Friesland”) gaat hij aan “vijf schroeven draaien”. “Dat is de relatie tussen het onderwijs en de markt, dat is de schooluitval, de positie van onderwijsinspectie, de rol van de leraar. En tenslotte is dat nog de studiefinanciering.”

Hoe staat u tegenover het pleidooi van het bedrijfsleven dat universiteiten hun studenten meer moeten opleiden voor de arbeidsmarkt?

Hermans: “Dat is een interessante suggestie die ik de komende weken met de universiteiten wil bespreken. Een discussie die ik niet wil voeren via de krant. Maar laat ik u dit zeggen: de universiteiten moeten zich meer op de markt gaan begeven en zich meer profileren. Daar waar je als overheid een stap terug doet, bijvoorbeeld met de financiering, kun je niet tegelijkertijd zeggen: de andere kant mag je niet uitkijken. Hoe ze dat doen, is punt van overleg. Overigens moeten we eerst de bezuiniging van 400 miljoen doorvoeren in het hoger onderwijs. Daar heb ik voor getekend. Als ik dat niet doe, ben ik niet meer geloofwaardig als ik later om extra geld vraag.”

Gaat u ook de markt op om het ambitieuze computerplan voor basis- en middelbare scholen te redden?

“Het plan zal bijgesteld moeten worden. Er bleek te weinig geld beschikbaar. Bovendien moet de software nog worden ontwikkeld en moeten de leraren worden bijgeschoold. Hulp van het bedrijfsleven ligt dan voor de hand. Dan denk ik niet alleen aan de aanschaf van computers, maar ook bijvoorbeeld aan hulp bij ontwikkeling van software. Daarnaast probeer ik met Economische Zaken samen te werken bij het uitvoeren van het computerplan.”

Schooluitval is een andere prioriteit. Hebt u al een plan?

“Nee. Eerst wil ik praten met mijn collega's van Grote Stedenbeleid en Sociale Zaken en direct betrokkenen. Ik wil juist niet vanuit Zoetermeer gaan roepen hoe het moet. Ik wil eerst luisteren naar initiatieven in het veld. Die zijn weliswaar kleinschalig van opzet, maar hebben wel vaak resultaat. Er moet wel echt iets gebeuren. Dertig procent van alle jongeren komt van school zonder een diploma waarmee ze aan de slag kunnen. Dat is veel te veel.”

Dat is geen hard cijfer. Want van de meeste schoolverlaters weten we niet waar ze gebleven zijn. Minister Ritzen dacht aan het invoeren van een onderwijsnummer, onder meer om het onderwijstraject van kinderen beter te kunnen registeren. Houdt u daaraan vast?

“Ik ben nog aan het kijken wat ik daarmee moet. De Registratiekamer heeft überhaupt grote bezwaren tegen het volgen van leerlingen omdat het inbreuk maakt op de privacy. Daar kan je politiek heel moeilijk omheen. Als ik de Kamer kan overtuigen het sofinummer te gebruiken dat ieder kind vanaf zijn geboorte heeft, mogen we onze handen dichtknijpen. Dat scheelt bovendien een hele hoop administratieve rompslomp.”

Het onderwijsnummer kan ook de kwaliteitsdiscussie openbreken. De vervolgopleiding van oud-leerlingen zegt meer over een middelbare school dan slagingspercentages alleen.

“Ook dat moet ik nog bekijken. Kwaliteit is zo'n vaag begrip - iedereen kan naar believen eigen maatstaven stellen. Ik zou me aan de strop ophangen als ik zou zeggen dat we daar deze regeerperiode uitkomen.

“We hebben een eerste aanzet gegeven met de kwaliteitskaart, waar veel kritiek op was in de Kamer omdat de maatstaven niet voor alle scholen gelijk zijn. Hij lag klaar voor verzending toen Karin Adelmund en ik aantraden. We dachten: laat we hem uitgeven en uit de praktijk horen waar de knelpunten zitten. Dan stellen we het daarna bij. Ik denk nu in de richting van een sterkere, onafhankelijker rol voor de Onderwijsinspectie. Het commentaar en de nuanceringen van het ministerie werden altijd in de inspectierapporten verweven, waardoor de mening van de inspectie niet meer helder was. Daar moeten we van af. De inspectie maakt een rapport, Onderwijs geeft apart commentaar en het parlement beoordeelt. De komende maanden wil ik mijn licht opsteken bij de inspectie voor de gezondheidszorg, het commissariaat voor de media en de belastingdienst. Daar hoop ik ideeën op te doen over een onafhankelijker rol voor de onderwijsinspectie.”

U was onder uw voorganger Ritzen voorzitter van een commissie die moest adviseren over een nieuw stelsel van studiefinanciering. Het voorstel belandde in een bureaula. Haalt u dat er weer uit?

“Om de prestatiebeurs af te schaffen is drie miljard gulden nodig, daarvoor is in dit regeerakkoord geen geld. Daar kun je kommer en kwel over roepen, maar daar schiet je niets mee op. Ik wil kijken of ik de studiefinanciering kan flexibiliseren, waardoor studenten studie en werk makkelijker kunnen combineren. Nu worden ze gedwongen om binnen zes jaar af te studeren en het is lastig om daarbij nog te werken. Ook het studieprogramma zou flexibeler moeten worden, zodat studenten hun studie meer naar hun individuele wensen kunnen invullen. Ik denk bijvoorbeeld aan het halen van deeldiploma's. Na zo'n diploma zou een student een pauze kunnen inlassen om te werken, waarna de studie hervat kan worden.”

Enkele partijgenoten zien uw ministerschap als opstapje naar het lijsttrekkerschap van de VVD.

“Ik ben gewend mijn eigen weg in de politiek te gaan. Op mijn vijfentwintigste was ik Kamerlid. Ik heb ongeveer alles gedaan, politie, volksgezondheid, sociale zaken, behalve onderwijs. Na 14 jaar leek het me leuk om burgemeester te worden in Zwolle. Dat was ik vier jaar lang met veel plezier. Toen kwam de plek van commissaris van de koningin in Friesland vrij. Ik heb lang geaarzeld - de kinderen moesten voor de derde keer van school veranderen - maar op advies van Ed van Thijn maakte ik die stap. Hij zei me: 'Je hebt altijd zoveel kritiek op het middenbestuur, doe het dan zelf eens'. En nu ben ik dan minister, nadat het departement van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen op het laatste moment aan de VVD is toegekomen. Ik heb daarvoor gekozen na overleg met mijn vrouw en vier kinderen. De jongste is negen, de oudste 17 jaar en zij wilden per se niet voor de vijfde keer in korte tijd verhuizen en weer naar een nieuwe school. Dus heb ik voor een weekendgezin gekozen. Toen Bolkestein me vroeg, dacht ik: Dat lijkt me nu leuk om ook eens te doen. Wie kan mij zeggen wat er over vier jaar zal zijn. Deo Volente. Politiek is een tombola.”