De inflatie van deflatie

Een goed centraal bankier kijkt altijd braaf naar links als hij de straat oversteekt. Je weet maar nooit of er inflatie aankomt, en dan moet je op je hoede zijn. Zulk gedrag loont als er eenrichtingsverkeer is. Maar hoe groot is de kans dat het verkeer van de andere kant komt? Voorbeeldig naar links gekeken en toch overreden door de andere, lugubere vijand van de economie: deflatie.

Niet alleen in de reële economie, maar ook onder economen zelf woedt op dit moment de strijd tussen inflatie en deflatie. De deflatie-aanhangers hebben een baaierd van argumenten ter beschikking: er was al een tendens naar lage inflatie in de industrielanden zelf, en die is verder versterkt door de crisis in Azië. Grondstoffenprijzen zijn dramatisch gedaald door de vraaguitval onder de door de financiële crisis getroffen landen. Ze zijn dan wel niet de grootste consumenten van grondstoffen, maar de oplopende behoefte die met hun economische wonder gepaard ging, zorgde wel voor het grootste deel van de wereldwijde groei van de vraag naar grondstoffen. De prijs van olie, misschien nog wel het meest tekenend, is inmiddels gedaald naar rond de 13 dollar per vat, en dat is voor inflatie gecorrigeerd veel lager dan de olieprijs van voor de oliecrisis van 1973.

De goedkope munten waarmee nu halffabrikaten (chemische stoffen, chips en onderdelen) uit de fabrieken in Azië op de wereldmarkt worden gegooid, hebben al gezorgd voor een prijsdaling van deze goederen. Westerse producenten hadden door de toegenomen concurrentie en grotere marktvrijheid de controle over hun prijzen, hun pricing power, al goeddeels verloren. Zij zullen gedwongen zijn om de goedkopere inkoopprijzen niet in hun zak te steken, maar door te geven aan de consument. Tel daarbij op dat er een kans is dat de economie van de VS en Europa door de Azië-crisis vertraagt, en een tendens naar lagere inflatie ligt op de loer. Verontrustend, zo tekenen de deflatie-aanhangers aan, is dat het vertrekpunt al laag was: in Japan is er al deflatie: de consumentenprijzen dalen op dit moment met 0,1 procent op jaarbasis. In de Verenigde Staten daalt de inflatie zelfs na zeven jaar van economische expansie, en is terecht gekomen op 1,7 procent in augustus. En in Duitsland en Frankrijk bedraagt de inflatie op dit moment 0,8 procent.

Wat als laatste meespeelt is wantrouwen in de accuratesse waarmee inflatie wordt gemeten. Sinds in de VS het Boskin-committee concludeerde dat kwaliteitsverbetering en anticiperend koopgedrag van de consumenten er voor zorgt dat de daadwerkelijke inflatie veel lager is dan de waarde die wordt gemeten, kan voor de gehele Westerse wereld die conclusie worden getrokken: wellicht is er, als die meetfout van de inflatiecijfers wordt afgetrokken, op dit moment al sprake van deflatie.

Deflatie is erg. Het zorgt, zoals in Japan in praktijk al te zien is, voor het uitstel van koopbeslissingen van consumenten - morgen is goedkoper dan vandaag, dus maar even wachten met spenderen. Zoals schulden door inflatie worden uitgehold, vermeerderen ze door deflatie juist in waarde. En de prijs van arbeid is lang niet zo flexibel als de prijs van goederen en diensten. Lonen zouden omlaag moeten om de winstgevendheid van bedrijven te behouden, omdat de bedrijven zelf minder inkomsten krijgen uit de goederen en diensten die ze tegen lagere prijzen moeten verkopen. Maar een loonstop is al onmogelijk door te voeren, laat staan een loonsverlaging. Zo komt de winstgevendheid van bedrijven ook op de tocht te staan.

De deflatiespiraal wordt op dit moment dan ook gezien als de Angstgegner van de wereldeconomie, hoewel het gebruik van het woord deflatie aan inflatie onderhevig is. Deflatie wordt gebruikt voor dalende beurzen en oplopende reële schulden in Azië, maar vrijwel alle landen in de regio kampen door de gedaalde munten met een explosie van de prijzen van goederen en diensten op de binnenlandse markt. Alleen China valt wat dat betreft (samen met Japan) in het deflatie-gebied.

Is de angst voor deflatie gerechtvaardigd? Dan moet er nog wel wat meer gebeuren dan de crisis tot nu toe heeft veroorzaakt. Intussen zijn er ook krachten in het spel die duidelijk inflatoir zijn, maar zich nog niet manifesteren. De simpelste van die krachten komt uit de statistiek zelf: de prijzen van grondstoffen en halffabrikaten zijn wereldwijd wel gedaald, maar er komt een moment waarop dat niet zoveel meer uitmaakt. Inflatie wordt van jaar op jaar gemeten. De prijs van olie bereikte in maar van dit jaar 12 dollar per vat, en was toen 40 procent onder het niveau van een jaar daarvoor. Sindsdien is de olieprijs tussen de 13 en 14 dollar blijven steken. Naarmate de tijd verstrijkt, loopt de daling ten opzichte van een jaar eerder vanzelf weg: als de olieprijs in maart 1999 nog steeds 13 dollar bedraagt, is hij niet langer gedaald ten opzichte van het jaar daarvoor, maar zelfs licht gestegen, en is het drukkende effect op de inflatie voorbij.

Voor overige grondstoffen, die later dan olie in prijs daalden, ligt dat moment verder in de tijd. Deflatie op basis van gedaalde prijzen van grondstoffen en halffabrikaten zal zich in ieder geval in de eerstkomende driekwart jaar moeten manifesteren. Als dat niet is gebeurd, dan zijn ze geen factor van betekenis meer. Het is natuurlijk ook nog mogelijk dat de grondstoffenprijzen weer wat herstellen, zodat het effect nog eerder afloopt.

Tekenend voor dat effect zijn de Amerikaanse inflatiecijfers. De inflatie bedraagt nu 1,7 procent op jaarbasis, maar de VS presenteren ook de inflatie zonder voedings- en energieprijzen. Die bedraagt 2,5 procent. Zodra de grondstoffenprijzen, die de voedings- en energieprijzen goeddeels bepalen, weer aantrekken, komt het werkelijke inflatiecijfer van 2,5 vanzelf weer boven. Een andere inflatiedruk blijft komen van de lonen. Die stijgen in de VS nog steeds met 4,2 procent op jaarbasis, en kruipen in Europa weer langzaam omhoog tot gemiddeld 2,2 procent.

Zo bezien is het deflatie-spook minder reëel dan op het eerste gezicht lijkt, en moet er waarschijnlijk een sterke vertraging van de binnenlandse vraag in Europa en VS optreden om de prijzen daadwerkelijk te laten dalen. Beide kanten blijven opkijken dus, bij het oversteken. Maar dat was altijd al het veiligst.