De 'derde weg' in de politiek bestaat al

Dit weekeinde praten president Clinton en premier Blair in New York over een 'derde weg' in de politiek. Volgens Jonathan Eyal is er geen nieuws onder de zon.

Na het failliet van het communisme stonden de intellectuelen van Midden-Europa voor een fundamenteel dilemma. Het behoud van het communistische systeem was duidelijk geen reële optie. Maar invoering van het kapitalisme stond velen van hen tegen. Zou het niet mogelijk zijn, zo redeneerden de intellectuelen, om de beste eigenschappen van beide systemen te combineren: de naar het heette volledige werkgelegenheid en uitgebreide sociale voorzieningen van het communisme en de welvaart van de markteconomie? De gedachte aan een 'derde weg' tussen kapitalisme en communisme leek aantrekkelijk, maar was in de praktijk irrelevant. Bij gebrek aan de nodige financiële middelen was het probleem in Midden-Europa niet zozeer de bescherming van de eigen industrie tegen concurrentie van buiten, als wel de vraag hoe men zo snel mogelijk van de eigen industrie-kolossen (die bijna allemaal verlieslijdend waren) af kon komen. En gezien hun lege schatkist erkenden de Midden-Europeanen fluks dat hun oude sociale zekerheden zouden moeten verdwijnen. Oost-Duitsland, het land dat het meest zijn best deed een 'derde weg' te volgen, werd eenvoudig van de Europese kaart geveegd door de aantrekkingskracht van zijn westelijke, marktgeoriënteerde tegenhanger. En in de Tsjechische Republiek, ook een vroegere communistische staat waar intellectuelen - en zelfs de president - droomden van nieuwe ideologische experimenten, veegde Vaclav Klaus, toen premier, die gedachten van tafel met de uitspraak: 'De derde weg voert naar de derde wereld'.

Er kwamen weer socialisten aan de macht in Midden-Europa en recent zelfs in de Tsjechische Republiek, maar je hoorde nauwelijks spreken over het combineren van markt en socialisme. Het verschil zat hem in de vraag welke politieke partij de markthervormingen het snelst en minst pijnlijk kon uitvoeren. Het kapitalisme had gezegevierd, scheen het. En toch komen president Bill Clinton en de Britse premier Tony Blair dit weekeinde met hun vertrouwelijkste beleidsadviseurs in New York bijeen om te spreken over die zelfde 'derde weg' in de politiek. Een nostalgisch samenzijn gewijd aan allang achterhaalde ideologische discussies, of het begin van een nieuwe ideologie? Het antwoord is vrijwel zeker: van allebei een beetje, en van allebei evenveel.

De Midden-Europese intellectuelen van tien jaar geleden hadden geen macht en beoogden geen politieke verantwoordelijkheid: op hun oude, vertrouwde wijze bouwden zij utopische constructies die straal werden genegeerd door zowel politici als bevolking. Bill Clinton en Tony Blair daarentegen oefenen wel degelijk macht uit en genieten althans op papier een enorme steun onder de bevolking van hun land. De intellectuelen in de vroegere communistische staten gingen ervanuit dat de politieke scheidslijn tussen links en rechts zou blijven bestaan. Zij wilden slechts een nieuw politiek bestel ergens daartussenin. In veel opzichten is de huidige poging een derde weg in de politiek te banen dus zowel radicaler als geloofwaardiger: ze wordt begeleid door mensen die het verschil kennen tussen utopie en reële politieke macht en die zich niet licht zullen laten verblinden door de eerste en daarmee de laatste verspelen.

En evenmin is de discussie over een derde weg in de politiek een modeverschijnsel. President Clinton verwoordt de hoofdlijnen ervan al sinds zijn aantreden in 1992, en premier Blair doet dat sinds hij in 1994 het roer van de Britse Labourpartij overnam. Daar komt bij dat de overeenkomsten tussen beide leiders nog veel dieper gaan. Blair en Clinton behoren tot dezelfde generatie, hebben oprechte sympathie voor elkaar en spreken natuurlijk dezelfde taal. Het belang van een gemeenschappelijke taal en intellectuele traditie speelt duidelijk een belangrijke rol. Margaret Thatcher en Ronald Reagan lazen dezelfde boeken en vereerden dezelfde ideologische goeroes - Blair en Clinton doen in de jaren '90 hetzelfde. De conferentie van dit weekeinde zal ook worden bijgewoond door de Italiaanse premier. Maar dat is een zwakke poging om een internationaal tintje te verlenen aan wat in wezen een Amerikaans-Brits gebeuren is, dat bovendien door allerlei lagere echelons binnen beide regeringen wordt gesteund. De organisator van de beleidswerkgroepen die Clinton al zijn ideeën over een derde weg hebben verschaft en hem op het spoor naar het presidentschap hebben gezet, is thans de Amerikaanse ambassadeur in Londen. En de jonge mensen die vorig jaar Blairs succescampagne hebben gevoerd keken hun strategie zorgvuldig af bij Clinton, compleet met dezelfde slogans en dezelfde obsessie voor presentatie in plaats van details. De banden zijn dus hecht en het zoeken naar een derde weg is zeer reëel. Maar dat leidt nog niet tot een nieuwe of samenhangende ideologie.

De belangrijkste theoreticus van de derde weg is professor Anthony Giddens, directeur van de London School of Economics en een van de sleutelfiguren tijdens de komende conferentie. Zijn betoog gaat uit van de overtuiging dat de oude tweedeling in links en rechts was gebaseerd op een thans achterhaald onderscheid naar maatschappelijke klasse. Ook het aloude debat over de rol van de staat is niet langer erg relevant. De burgers van westerse democratieën weten dat de staat niet in al hun behoeften kan voorzien en dat die bovendien een slecht beheerder van middelen is. Hetzelfde geldt voor de natie: mensen hechten nog wel aan het gevoel van vertrouwdheid en saamhorigheid dat het nationaal verband verschaft, maar ze weten ook instinctief dat de huidige problemen meest mondiaal van aard zijn en niet op nationaal niveau zijn op te lossen. En tot slot ging het debat in de economie voorheen over de eigendom van kapitaalgoederen. Thans accepteert men overal in het westen dat de particuliere onderneming een fundamentele rol speelt in elke economische ontwikkeling.

Maar wat moet in de nieuwe situatie veranderen? In plaats van op sociale klassen vindt Giddens dat politieke partijen zich moeten baseren op nieuwe coalities van belangengroepen. Staatsinstellingen moeten radicaal veranderen door constitutionele hervormingen en locale democratie op het laagst mogelijke niveau. Nationalisme en nationale symbolen moeten worden gerespecteerd, maar aangevuld met de gedachte van 'meervoudige soevereiniteit': loyaliteit aan de natie en tegelijkertijd aan een groter verband van internationale instellingen. In de economie moet de nadruk niet liggen op de herverdeling van middelen maar eerder op het stimuleren van eerlijke concurrentie en het reguleren van particuliere ondernemingen teneinde de bevolking te beschermen voor excessen van de markt. En ten slotte moet de nadruk in de sociale zekerheid verschuiven van het ondersteunen van mensen die zichzelf niet kunnen bedruipen naar het investeren in mensen. De burger moet ervan worden doordrongen dat hij of zij niet alleen rechten maar ook verantwoordelijkheden heeft. Het doel moet niet zijn absolute gelijkheid, maar gelijke mogelijkheden.

Het is niet moeilijk te zien wat zowel Blair als Clinton in deze als nieuw gepresenteerde ideeën aanspreekt. Allebei hebben ze aan het hoofd gestaan van een partij die met het verval van het communisme haar relevantie leek te hebben verloren. De Democraten werden na 1980 gedurende twaalf jaar en drie verkiezingen buiten het Witte Huis gehouden. De Britse Labourpartij verloor niet minder dan vier achtereenvolgende verkiezingen tussen 1979 en 1997. De oude ideologie wist kennelijk geen stemmen meer te trekken. Maar dat was nog niet het ergste. Reagan en Thatcher hebben het totale politieke debat definitief verlegd: zij waren de eerste rechtse leiders sinds 1945 die meer wilden dan de toename van de staatsmacht over de economie beperken. Zij streefden naar omkering van dat proces en radicale herstructurering van de staat. Daarbij haalden zowel Reagan als Thatcher oude zekerheden onderuit: de Britse premier, die niets moest hebben van het oude politieke establishment in haar land, wist brede steun onder de werkende klasse te verwerven, juist de categorie namens wie Labour zei te spreken. Clinton en Blair begrepen als eersten dat sommige van deze veranderingen onomkeerbaar waren. Om aan de macht te kunnen komen moesten ze hun kiezers ervan zien te overtuigen dat de erfenis van Thatcher en Reagan een menselijker gezicht kon krijgen. Conservatief zijn zonder de Conservatieven is de leus die Blair aan Clinton ontleende. Deze strategie bleek aan beide zijden van de Atlantische Oceaan succes te hebben, en het is niet meer dan logisch dat beide leiders thans menen dat daarin de toekomst van de mensheid gelegen is.

Echter, in de praktijk is de 'derde weg' een loze kreet op zoek naar een ideologie, een opsomming van de bestaande contradicties in een moderne samenleving die echter geen antwoorden biedt. De gedachte aan 'meervoudige soevereiniteit' aan de natie en bredere internationale instellingen mag nieuw zijn in Groot-Brittannië en de Verenigde Staten, maar is sinds tientallen jaren realiteit voor de andere langen in de Europese Unie. De vorming van een coalitie van belangengroepen in de plaats van sociale klassen is een denkbeeld waarmee alle politiek partijen worstelen, zowel in Europa als in Amerika, sinds de opkomst van de massale welvaart in de jaren '60. Het stimuleren van vrije concurrentie en het reguleren van markten is ook al niet nieuw: de Europese Commissie in Brussel doet al tientallen jaren weinig anders, met nota bene steun van Margaret Thatcher. En het onderscheid tussen verantwoordelijkheden en rechten in een samenleving houdt denkers al sinds de Franse revolutie bezig. Het enige nieuwe idee met enige substantie is de aanpassing van het stelsel van uitkeringen en pensioenen aan een samenleving die tegelijk veroudert en steeds minder zin krijgt om hogere belastingen te betalen.

En wat hebben de aanhangers van de 'derde weg' in dat opzicht teweeggebracht? President Clinton heeft zijn vrouw aangesteld om de medische voorzieningen in zijn land te hervormen, waarna hij strandde in eindeloze discussie over details, de meerderheid in het Congres kwijtraakte en het hele plan overboord moest gooien. En Tony Blair heeft toen hij vorig jaar aan de macht kwam een radicale minister benoemd met een mandaat om inzake de hervorming van het sociale stelsel 'het ondenkbare te denken', om hem vervolgens dit jaar, toen hij inderdaad het ondenkbare dacht, weer te ontslaan.

De realiteit is dat het zoeken naar een derde weg een typisch Brits-Amerikaans verschijnsel is, dat voortkomt uit de specifieke omstandigheden in deze twee landen. In beide landen wordt het gehele politieke debat beheerst door twee partijen. In beide landen heerst de mythe dat partijen radicaal verschillende ideologieën en zelfs verschillende opvattingen over het leven dienen te vertegenwoordigen. En in beide landen verwerft de ene partij die de verkiezingen wint doorgaans totale politieke controle. Ideologische discussies zijn daarom eerder onmisbare instrumenten in de strijd om de macht binnen de partijen dan oprechte pogingen om nationale oplossingen te vinden. Als Tony Blair en Bill Clinton hun blik eens even buiten al die werkgroepen lieten weiden, zouden ze kunnen zien dat regeringen in Nederland of Scandinavië, om maar een paar voorbeelden te noemen, al sinds jaar en dag zo'n beleid voeren, en zonder nieuwe ideologieën te verzinnen. In al deze landen dingen politieke partijen naar stemmen, maar in het besef dat ze compromissen moeten sluiten willen ze regeringscoalities kunnen vormen. Blair en Clinton missen die ervaring en dat besef. Zij zijn bezig hun eigen coalities te vormen, binnen hun eigen partij. Het is interessant om dat gade te slaan. Maar het is niet van wezenlijk belang voor andere landen, afgezien van de constatering dat in het tijdperk van na de Koude Oorlog zowel linkse als rechtse partijen moeten moderniseren. En zelfs de Britse premier en de president van de VS zullen erkennen dat dat niet zo'n heel nieuwe of zelfs bijzonder opmerkelijke conclusie is.