'AUTO'S ZIJN VIES'; Ook kinderen zijn politiek bewust

'IEDEREEN GOOIT steeds vuiltjes op de grond, gaat roken en in een auto zitten. Daar komt gas uit en dat is heel vies. Dan wordt de lucht vervuild. Dat is de schuld van de regering, want die vindt dat goed. Die moet elektrische auto's maken, want daar komt geen gas uit.' Lisa (8) is heel stellig: het beleid inzake uitlaatgassen kan de prullenbak in.

In Nederland is nauwelijks onderzoek gedaan naar politiek gedrag van kinderen. Want wat maakt het uit, politieke attitudes worden pas ontwikkeld tijdens de adolescentie. Politicologe dr. Mireille Gemmeke (31) denkt daar anders over: het is juist interessant om te kijken naar kinderen omdat ze politiek en politieke activiteiten op afstand bekijken en geen deelnemer zijn. Onlangs is ze aan de UvA gepromoveerd op een onderzoek naar de politieke betrokkenheid van kinderen op de basisschool.

Gemmeke komt in haar promotie tot de conclusie dat kinderen zeer wel in staat zijn politieke thema's en problemen te benoemen, daarover nog een mening te hebben én soms zelfs een oplossing kennen. Dat kinderen geen middelen hebben die mening kracht bij te zetten, doet daar volgens haar niets aan af. Op de basisschool blijken politieke instituten als partijen en het parlement veel bekender dan tot voor kort werd aangenomen. Gemmeke: “Kinderen weten best dat de koningin hier niet de baas is. Goede definities van wat politiek is zijn wel belangrijk. Politiek verliest zijn betekenis, wanneer te veel aspecten van de samenleving ertoe worden gerekend.” Centraal in Gemmeke's definitie staat het overheidsbeleid.

Zijn kinderen niet betrokken bij politieke problemen doordat hun ouders dat ook zijn? Gemmeke: “Dat wordt vaak gezegd en dat is natuurlijk ook zo. Niettemin: daarmee wordt te gemakkelijk de suggestie gedaan dat kinderen niet zelf iets denken of voelen. Dat is dus wèl zo.” In Gemmeke's onderzoek werden 500 basisschoolleerlingen tussen de zeven en dertien jaar schriftelijk ondervraagd naar hun betrokkenheid bij politieke problemen als discriminatie, immigratie, bezuinigingen, honger, oorlog en de Europese eenwording. Een aantal van hen werd nadien nog eens mondeling ondervraagd.

Gemmeke onderscheidt drie verschillende vormen van betrokkenheid: cognitief, affectief en gedragsmatig. Gebleken is dat allochtone kinderen minder feitelijke politieke kennis hebben dan autochtone, maar ze voelen zich gevoelsmatig juist meer betrokken bij politieke problemen. “Ik vermoed dat dat wordt veroorzaakt doordat allochtone kinderen over het algemeen meer worden geconfronteerd met zaken als immigratie of honger. Dit soort problemen spelen bij allochtonen veel vaker gewoon thuis.” Vanaf hun zevende jaar kunnen kinderen maatschappelijke problemen benoemen. En volgens Gemmeke is het opvallend dat ze weten dat de politiek zulke problemen - milieu, honger, de Balkanchaos - moet oplossen. Precies dat maakt het tot politieke problemen. Tot nu toe dacht men dat jonge kinderen zich niet konden voorstellen dat de regering of een minister aanspreekpunt is voor maatschappelijke problemen. Er is in dit opzicht wel een verschil tussen 7- en 13-jarigen. De eersten blijken bijna alle problemen direct op zichzelf te projecteren, terwijl een 13-jarige (bijvoorbeeld bij een plaatje over hongerige kinderen) vaak al weet dat het om een wereldprobleem gaat.