Tussen ernst en spot; Roman van H.C.ten Berge

H.C. ten Berge: De jaren in Zeedorp. Meulenhoff, 288 blz. ƒ 34,90

Zoals J. Bernlef in 1984 ineens doorbrak met Hersenschimmen en Jacq Vogelaar in 1991 al even plotseling met De dood als meisje van acht, zo zag H.C. ten Berge twaalf jaar geleden zijn lezerspubliek uitdijen met Het geheim van een opgewekt humeur, zijn meest succesvolle roman tot dusver. Hij verwierf er de Multatuli-prijs mee en een AKO-nominatie.

Bij Bernlef zal het toverwoord vooral herkenning zijn geweest, van een veel voorkomend en kennelijk overtuigend opgeroepen ziektebeeld. Bij de tot dan toe als experimenteel bekend staande Vogelaar en Ten Berge kan het detective-karakter van hun romans de doorslag hebben gegeven. Je zou hier van een tegemoetkoming aan de lezer kunnen spreken, zonder dat de schrijver zichzelf hoefde te verloochenen. Want een overdreven gemakkelijke roman is Het geheim van een opgewekt humeur nu ook weer niet. Maar wie er zijn hoofd een beetje bijhoudt, zal heus wel wijs worden uit de vele perspectief- en registerwisselingen en uit de verschillende tekstsoorten waaruit het boek is opgebouwd. Samen vormen ze een intrigerende en spannende geschiedenis over liefde, vriendschap, incest en een gemankeerd schrijverschap. De hoofdpersoon, Edgar Moortgat, is een moeilijk te doorgronden 'publicist zonder pretenties', zoals het wat denigrerend heet. Hij verdient de kost met het schrijven van soft porno-pulp, maar koestert ambitieuze literaire plannen die niet verwezenlijkt worden. 'Wat hij deed werd een lopende verontschuldiging voor wat hij eigenlijk had willen doen.' Hij had al die moeite niet hoeven doen, als we Ten Berge mogen geloven, want hij krijgt, simpelweg door te leven, de stof aangereikt voor een roman, die vervolgens onder onze ogen tot stand komt.

Dat is, geloof ik, meteen ook het ideale proc´ed´e van Ten Berge, dat hij sindsdien is blijven volgen: zijn verhalen wekken graag de suggestie niet geschreven te zijn, maar ter plekke te ontstaan, uit het leven geplukt. Zo'n werk in uitvoering is ook de lichtvoetige en amusante novelle Een Italiaan in Zutphen (1990), waarin dezelfde Edgar Moortgat het materiaal voor een verhaal cadeau krijgt van een Umberto Eco-achtige schrijver: het verhaal dat wij tegelijkertijd al aan het lezen zijn.

Ook in zijn nieuwe roman, De jaren in Zeedorp, die op een elegante manier aansluit bij zijn twee vorige boeken, is een aanjager actief: Miriam. We kennen haar al uit Het geheim van een opgewekt humeur, al is haar rol hier beperkt tot die van minnares en muze van, alweer, Edgar Moortgat. Omdat het verhaal zogenaamd voor de vuist weg aan haar wordt verteld, zij het ook met de nodige perspectiefdoorbrekingen, treft ook deze keer een ongedwongen toon en een onnadrukkelijke vorm.

Wat opvalt is dat deze roman veel simpeler in elkaar steekt en ook veel realistischer oogt dan zijn voorgangers. Met veel omslag, en met een werkelijk tergende traagheid wordt een jeugdepisode uit de doeken gedaan. Pas wanneer men zich realiseert dat Ten Berge heus wel vlotter kan formuleren dan hij hier doet en in het algemeen ook geen grootverbruiker is van gedateerde woorden als 'eensklaps', 'elkander', 'mieters', 'reuze' en 'meestentijds' wordt al die omslag om zo te zeggen functioneel.

Op last van zijn aanjager Miriam, die hem een 'ziekelijke treuzelkont' noemt, keert de ongeveer vijftigjarige jarige Moortgat met behulp van dagboekaantekeningen en brieven terug naar zijn jeugd om zich, naar zij hoopt, voorgoed van al die oude schimmen te verlossen. Hij brengt de twintigjarige jongeman die hij ooit was, met zijn rotsvaste vertrouwen in literatuur, beeldende kunst, muziek, dans en toneel, zo objectief mogelijk tot spreken. De belangrijkste overeenkomst tussen de oudere en de jongere Moortgat is dat ze allebei geduchte vrouwenliefhebbers zijn. Maar waar junior al zijn kaarten zet op die ene vrouw, daar noemt senior zichzelf onverzadigbaar, een verslaafde aan ´alle vrouwen. Hij kan niet zonder hen, maar wil zich aan niemand speciaal binden, want is zoals hij zelf beweert 'geen man voor dag en nacht'.

In De jaren in Zeedorp wordt een poging gedaan om te doorgronden waar die bindingsangst vandaan komt. Omdat die ene vrouw hem niet wilde hebben? Omdat een mens niet toegerust is voor zoiets groots als liefde? Of omdat hij, net als Vestdijks Anton Wachter, onwankelbaar trouw wil blijven aan wat hij nooit heeft bezeten? Antwoord op deze vragen wordt niet gegeven, want het gaat hier, zoals Moortgat uitlegt, niet zozeer om de waarheid alswel om een legpuzzel waarvan veel stukjes verloren zijn gegaan. Met de resten van de puzzel moet men het maar zien te doen.

Toch heeft Louise Aptekman, zoals de grote liefde heet, wel iets weg van Ina Damman: zij is even ongenaakbaar en gesloten, al blijkt uit haar overgeleverde dagboekaantekeningen vooral dat zij geen raad weet met haar gevoelens voor Moortgat. 'Reuze zin om Edgar op te zoeken. Meesterlijke jongen, maar ik deed weer gruwelijk tegen 'm', noteert Louise, na de zoveelste teleurstellende ontmoeting. Haar angst voor lichamelijk contact, zo wordt gesuggereerd, zou te maken hebben met ongewenste incestueuze betrekkingen met haar stiefvader - want ook het incestmotief is meeverhuisd naar het nieuwe boek.

Behalve een beeld van een mislukte liefdesgeschiedenis geeft de roman een beeld van de late jaren vijftig in Zeedorp, dat een schuilnaam lijkt voor Bergen, het kunstenaarsdorp waar Ten Berge opgroeide. Het leven was toen heel anders: benepener, maar ook beleefder, ingetogener en fatsoenlijker, al was er ook zoiets als vrije liefde, die door de meer vrijgevochten types werd bedreven in duinen, bosjes en op zolderkamers. 'Omgangsvormen werden toen nog in acht genomen', aldus Moortgat. 'De tijd om alles 'kut' te noemen lag in het verre verschiet'. De jeugd had nog idealen en benaderde het hogere, de kunst, met gepast respect en devotie. Men is blij en opgetogen als er naar muziek geluisterd kan worden, als er een tentoonstelling kan worden bezocht of als iemand een gedicht citeert, of dat nou van Hadewych, Kloos, Roland of Remco Campert is, of iets van eigen makelij. Alleen het kunstwerk stelt de mens in staat iets van het vluchtige leven voor de eeuwigheid vast te leggen. Want dat is toch wel het grootste bezwaar van Moortgat tegen het leven: dat het zomaar voorbijgaat.

Tussen alle ernstige kunstbedrijven door schept Ten Berge gelukkig ook ruimte voor relativerende opmerkingen, voor milde spot, voor grappige terzijdes, voor verschijnselen die van alle tijden zijn zoals 'wansmaak, achterbaksheid en gehuichel' en vraagt hij om begrip voor de 'trage kustbewoner' die zijn hoofdpersoon is. De tijd gaat voor iemand van twintig nu eenmaal een stuk langzamer dan voor iemand die veertig of vijftig is.

De meeste aandacht gaat intussen toch uit naar vrouwen, tot wie Moortgat zich van jongs af aan aangetrokken heeft gevoeld. Bepaald hilarisch is de beschrijving van al die warmbloedige meisjes en vrouwen die hem allemaal even onweerstaanbaar vinden. Evelientje Bijlo, de zusjes Maud en Anne Engelvaart, Renske Dijkgraaf, Monica Rondeel, Harri¨et Klein, Bibi Blees: hij heeft ze allemaal letterlijk voor het grijpen, maar hij versmaadt ze, na enkele intieme ontmoetingen, voor de koele Louise. Het zijn vergeefse jaren zou je kunnen zeggen, de Zeedorpse jaren die met zoveel vertraagde overgave zijn beschreven, maar ze zijn hier nu dan wel mooi voor de eeuwigheid vastgelegd.

De tijd verliep langzaam, zo voelde dat aan. Er was tijd in overvloed, tijd om te luisteren, tijd om te lezen, te luieren, tijd om te werken, te slapen, tijd om bij iedereen aan te lopen en aanloop te krijgen - voor alles was tijd en dan hield je nog een zee aan tijd voor al het andere over. Als je ouder werd ging dat veranderen, zeiden ze. Er kwam steeds minder tijd; het oneindige werd eindig, maanden werden weken, weken dagen, dagen uren, tot het laatste van die uren had geslagen. Nu ging er nog bijna niemand dood. Dat de tijd ooit op zou raken, ging hem voorlopig niet aan. Uit H.C. Ten Berge, De jaren in Zeedorp