Ouders willen veiligheid, tieners avontuur

Onder gemeenten en werkende ouders bestaat behoefte aan 'tieneropvang' om te voorkomen dat pubers gaan zwerven. Maar de tieners blijven weg.

ZOETERMEER, 18 SEPT. Samoerai, Scooter, Parabuurt, Bongo Tienerclub, Kids Paradise. Volgens een enquête onder brugklassers van een Amsterdamse scholengemeenschap zou een club voor 'naschoolse activiteiten' ongeveer zo moeten heten. Maar echt warm voor zo'n club lopen ze niet: 55 procent geeft aan geen lid te zullen worden. Redenen: 'geen tijd', 'geen zin', 'te duur' en 'ik kan wel voor mezelf zorgen'.

Van de 250 miljoen gulden die het kabinet in de Miljoenennota heeft gereserveerd voor uitbreiding van - vooral naschoolse - kinderopvang, is een klein deel bestemd voor kinderen boven de twaalf: dit jaar twee miljoen gulden, volgend jaar vijf, het jaar daarop tien. De roep om opvang voor pubers groeit, zij het niet bij de betrokkenen zelf. Veel kinderen haken juist rond hun tiende af bij de kinderopvang omdat ze het saai vinden.

“Ik denk dat vooral veel ouders er behoefte aan hebben”, zegt M. Lomans, hoofd naschoolse opvang in Oegstgeest. “Die zijn bang dat hun kind gaat zwerven en in aanraking komt met verkeerde groepen.” Volgens B. van den Oever, projectleider van een 'huiskamer' voor tieners in Amsterdam, willen ouders niet dat de opvang na de basisschool opeens ophoudt. “Het blijkt dat heel veel ouders moeite hebben met de overgang naar de middelbare school.”

Vooruitlopend op het kabinetsbeleid is een aantal gemeenten alvast met 'tieneropvang' aan het experimenteren. In Zoetermeer, een gezinsstad met woonkernen waar volgens directeur kinderopvang A. van den Bergh voor jongeren “niets, absoluut niets” te doen is, ging in mei een tienerclub van start. “De gemeente was zich wild geschrokken”, zegt Van den Bergh. “Die had het hele sociaal-cultureel werk afgebouwd en kreeg toen te maken met steeds grotere groepen jongeren die gingen zwerven en allerlei kattekwaad uithaalden. En erger.”

De Kids to Basic-club (naam door de kinderen bedacht) kreeg een groot pand in Zoetermeer-centrum. Er is plaats voor dertig kinderen van twaalf tot vijftien jaar, maar tot nu toe zijn er pas veertien aangemeld. Zeeën van ruimte dus voor de aanwezigen, die zich uitleven op het poolbiljart, het tafelvoetbalspel, de tafeltennistafel en de spelcomputer. Verder is er een huiskamer met een gele, groene en blauwe bank en een keukenhoek, en een 'huiswerkruimte' met een gewone computer.

Niels Peereboom (11), die zit te surfen op Internet, vindt de club “veel toffer” dan de naschoolse opvang voor kinderen tot twaalf. “Daar had je allemaal van die kleine kinderen. Je loopt ze zo omver en je kunt er niet mee stoeien. Hier mag écht veel. Gewoon doen waar je zin in hebt. Knutselen, Nintendo, poolen.”

Maar Carola Verlaan (15), die met vriendin Kimmy zit te giechelen in de huiskamer, denkt niet dat ze in Kids to Basic zou komen als haar broer er niet toevallig werkte. Dat haar beide ouders werken, vindt ze helemaal niet erg, juist wel prettig. Na school maakt ze meestal huiswerk, gaat naar handbaltraining of “gewoon naar buiten”.

In Den Haag is A. Kosijungan zonder subsidie begonnen met de werving van kinderen voor de tienerclub 'Haags Onwijs'. Aanmeldingen heeft ze nog niet, wel verzoeken om informatie, vooral van gescheiden ouders. Die vinden de opvang echter te duur (dertig gulden per dagdeel van vier uur). Kosijungan, zelf ook alleenstaand ouder, heeft de indruk dat veel tweeverdieners in haar wijk hun kind nu onderbrengen bij een 'huiswerkinstituut'. “Daar gaan veel kinderen heen die dat eigenlijk helemaal niet nodig hebben.”

In de Amsterdamse Staatsliedenbuurt, een wijk met veel drugsoverlast, draait vanaf januari de 'nsa-club' voor naschoolse activiteiten. Vijfentwintig kinderen van tien tot veertien jaar kunnen er na schooltijd terecht om wat te eten en te drinken. Vervolgens kunnen ze door middel van een strippenkaart kiezen uit allerlei activiteiten in de buurt. Zowel de kinderen als de ouders tekenen van tevoren een contract waarin is vastgelegd dat het kind zich moet aan- en afmelden bij de leiding. Ook staan hierin individuele afspraken met de ouders, bijvoorbeeld of een kind alleen naar huis mag of bij een vriendje of vriendinnetje mag gaan spelen. Houdt een kind zich niet aan een afspraak, dan wordt het op het matje geroepen.

Volgens projectleider Van den Oever waren de basisschoolkinderen meteen enthousiast over de club, vooral omdat ze er meer vrijheid hebben dan op de gewone naschoolse opvang. De ouders hadden er in dit geval meer moeite mee. “Ze hadden het gevoel dat hun kind van een zeer beschermde situatie overging naar een veel minder beschermde.”

Inderdaad leverde dat problemen op. “Deze kinderen zijn totaal niet streetwise”, zegt Van den Oever. “Die komen voor het eerst op straat. Ze kregen allerlei conflicten met andere groepen kinderen omdat ze zich heel onzeker opstelden of juist continu ageerden.” Zij wil de opvangkinderen daarom in de toekomst een 'weerbaarheidstraining' geven.

Op een recente bijeenkomst over tieneropvang bleek dat managers in de kinderopvang het moeilijk vinden zowel ouders als kinderen tevreden te stellen. De ouders willen veiligheid en geborgenheid, de kinderen zelfstandigheid en avontuur. Vaak botst de tieneropvang met nog bestaand 'sociaal-cultureel tienerwerk'. Daar is het vrijheid blijheid, instuif zonder controle.

Volgens E. Schreuder van het Nederlands Instituut voor Zorg en Welzijn, dat de experimenten met tieneropvang zal begeleiden, moet worden voorkomen dat tieneropvang kinderen al te zeer in hun vrijheid beknot. “Een kind moet niet denken: Er is voor betaald, dus ik moet wel gaan.” Of, zoals een manager uit de kinderopvang opmerkt: “Een kind moet ook weleens een middag kunnen dromen.”