Opvliegen naar de eeuwigheid; Tentoonstelling van doodsportretten in Teylers Museum

Doodsportretten hebben eeuwenlang in de huiskamer gehangen, in het volle licht en voor iedereen te zien. Pas toen de dood in de achttiende eeuw steeds vaker aan menselijk falen werd geweten, verdwenen ze naar zolders of werden ze weggegooid. Teylers Museum heeft een tentoonstelling met doodsportretten ingericht.

Naar het lijk, van 19 september t/m 29 november in Teylers Museum, Spaarne 16, Haarlem. Inl. (023) 531 9010. De catalogus (uitgeverij De Walburg Pers) kost ƒ 49,50.

Bij binnenkomst in de zwart en brandweerrood geverfde expositiezaal van Naar het lijk kan niemand heen om het grote paneel met Ivo Fritema, zijn treurende vrouw Tjaertcke en vier bedrukt kijkende kinderen. Voor hen op tafel ligt een overleden kindje, daarnaast een bijbel. Het is het oudste Nederlandse familieportret met dode. Vader Ivo, een naar Sneek verhuisde Groninger van rijke komaf, wijst nog wel met neutrale gezichtsuitdrukking met zijn ene hand een bijbelpassage aan, met zijn andere hand naar zijn dode kind. Hij zal de protestantse boodschap wel uitdragen: blijf hopen op het hiernamaals. Tjaertcke echter bemoeit zich niet met de bijbel of een ander symbool en toont alleen haar verdriet, niet met tranen maar met een starende, depressieve blik, niet meer van deze wereld. De kinderen staan er bedremmeld bij.

Veel doodsportretten zijn er niet bewaard uit vorige eeuwen. Hoeveel het er waren is onbekend, maar waarschijnlijk zijn er heel wat verwaarloosd en weggegooid. De onaanvaardbaarheid van de dood heeft het lot van veel werken bezegeld die afkomstig waren uit een tijd waarin de dood nog alledaags was. Ongeveer anderhalve eeuw, tussen 1550 en 1700, zijn er veel doodsportretten vervaardigd. Ze hingen waarschijnlijk in huis, voor iedereen in het volle zicht. Maar in de achttiende eeuw en helemaal in de romantische negentiende eeuw raakte de dood uit beeld. De doodsportretten verdwenen naar zolders en kelders en vergingen daar. Heel wat doodsportretten zijn ooit gedocumenteerd maar nu onvindbaar.

Het lot dat veel doodsportretten trof is te zien bij de twee kinderportretjes van halverwege de zeventiende eeuw die op de tentoonstelling in Teylers naast het schilderij van de Fritema's hangen. Het leken tot enige jaren geleden schilderijtjes van somber kijkende kindertjes. De een met rammelaar en vogel, de ander met een mand kersen. Maar bij een restauratie bleek de zwart-wit geblokte tegelvloer overgeschilderd. Bij het verwijderen van de nieuwe vloer verscheen aan de voeten van het jongetje het kruintje van een baby. Op het andere schilderij, op de vloer bij het meisje, verschenen de voetjes. Oorspronkelijk waren broer en zus met hun overleden jongste broertje of zusje afgebeeld. Maar de dode baby is er op enig moment tussenuit gezaagd, de vloer is bijgewerkt en de vogel op de hand van meisje, klaar om op te vliegen naar de eeuwigheid, verloor zijn symboliek.

Dodenportretten werden voorafgegaan door beeldhouwwerken van vorsten en prelaten voor de praalgraven die in kerken kwamen te staan. Begraven in de kerk stond de kerkvergadering van Mainz in 813 toe. Edelen en geestelijken vonden daar hun plaats. Gewone mensen werden rond de kerk begraven. Iedereen lag er in afwachting van de wederopstanding. Die eerste doden in steen hebben een berustende gelaatsuitdrukking en zijn afgebeeld alsof ze ongeveer 33 jaar zijn, de leeftijd van Christus toen hij stierf. Ze sluimeren en kunnen ieder moment opstaan.

De Ruyter

De betekenis van de praalgraven verschuift van de elfde tot in de zeventiende eeuw van wachten en pure devotie naar wijzen op de vergankelijkheid van het leven (waarbij lichamen in beginnende staat van ontbinding werden gebeeldhouwd), tot monumenten die herdenken wat iemand tijdens zijn leven heeft bereikt. Van het laatste is het grafmonument voor vlootvoogd Michiel de Ruyter in de Nieuwe Kerk in Amsterdam een Nederlands hoogtepunt. En dat voor zeeheld Van Wassenaer Obdam in zekere zin een dieptepunt, want hij verspeelde door eigen fouten zijn vloot in een slag tegen de Engelsen in 1665. Het praalgraf probeert die blunder uit te wissen.

Als de reformatie toeslaat is het uit met de praalgraven, alleen voor nationale figuren als Willem van Oranje en Michiel de Ruyter is nog plaats. Het openbare grafmonument in de kerk verdwijnt. De geschilderde portretten voor thuis aan de muur komen ervoor in de plaats.

Het eerste burgerlijke Nederlandse doodsportret hangt op de tentoonstelling en is van een man die lijkt te slapen, alleen zijn lijkkleur verraadt wat er aan de hand is. Naar de dood verwijzende symbolen ontbreken. De Leidse schilderende burgemeester Van Swanenburg vereeuwigde zo in 1593 in Leiden de Schot Jacobus Ramsaeus. In de uitvoerige catalogus bij de tentoonstelling maakt auteur Rudi Ekkart, in een artikel over de ontwikkeling van het doodsportret, aannemelijk dat dit paneel het begin is van een hele serie doodsportretten van Hollandse edellieden. Ramsaeus was hoogleraar theologie en het doodsportret hing vanaf 1598 in de portrettengalerij van de Leidse universiteitsbibliotheek. Daar moet de jonge graaf Floris II van Pallandt het hebben gezien. Floris studeerde vanaf 1595 aan de Leidse universiteit en onderhield contact met bibliothecaris Merula die de portrettengalerij stichtte. Toen Floris' vader in 1598 stierf leidde dat ongetwijfeld tot de opdracht aan een nu onbekende schilder om een doodsportret te schilderen. In 1608 volgde Jonkheer Willem van Zuylen van Nijevelt, voorvader van de eigenaren van pretpark Duinrell. In 1618 graaf Hendrik van de Bergh en in 1639 was het de beurt aan Floris II. De heren kenden elkaar en hun doodsportretten zijn eender van opzet.

De vroege doodsportretten waren schilderijen van bescheiden omvang, kennelijk bedoeld voor huiselijk gebruik, maar waar en hoe lang ze er hebben gehangen weet niemand. Dat geldt ook voor de vaak veel aangrijpender zestiende- en zeventiende-eeuwse portretten van families met een of meer dode kinderen. Bij het bekijken van de Fritema's, met de intens neerslachtige moeder, bekruipt je nu droefheid, maar ook afkeer van het strenge calvinisme. Je wenst deze vroege protestanten alsnog een effectiever rouwritueel, zoals de katholieken met hun sacramenten en gezongen begrafenismissen wel hadden, dan stilletjes poseren voor een schilder. Het resultaat aan de muur bestendigde misschien de hoop op het hiernamaals, maar zal ook nog jaren de stemming in huis hebben gedrukt.

Weinig medeleven wekt echter het curieuze tafereel van de familie Pan uit Enkhuizen. Op het doek staan vader en moeder, voor een raam met uitzicht op de druk bevaren en welvaart brengende Zuiderzee, geflankeerd door een zoontje en dochtertje. Voor die vier levenden liggen negen dode baby's en peuters in drie rieten wiegjes. Het is zeker geen negenling geweest die daar gestorven is, want de kinderen zijn niet van gelijke leeftijd. Het tafereel is misschien een roep om medeleven, maar dan wel erg nuchter vastgelegd. Een aanklacht is het vast niet, want die zou in die tijd God treffen en niet de medische stand. Misschien was het schilderij van het gezin Pan bedoeld om de - ook in die tijd van grote kindersterfte - uitzonderlijke gebeurtenis van slechts twee overlevende kleuters en negen dode baby's en peuters vast te leggen. Uit dezelfde tijd (eerste helft van de zeventiende eeuw) zijn meer curiositeiten rond geboorte en vroege dood vastgelegd. De Dordtse vierling, drie in leven recht overeind gebakerd en één liggend dood, is waarschijnlijk uitsluitend geschilderd om de gebeurtenis voor de familie vast te leggen. Een Siamese tweeling werd in 1630 geschilderd voor het Haags anatomisch theater en was zeker ter documentatie, niet ter nagedachtenis bedoeld.

Bloemenkrans

Uit bijna dezelfde tijd dateren de tere, bijna fotografische kinderportretjes van Bartholomeus van der Helst en Ferdinand Bol. Vredig liggen de kinderen op hun bedjes. Ze zouden kunnen slapen, maar hun lijkbleke kleur en de bloemenkrans rond hun hoofd en een takje in hun hand sluit iedere twijfel uit. Aan hun uiterlijk is niet meer te zien dat ze hoogstwaarschijnlijk zijn gesloopt door een infectieziekte. De portretten zijn ongetwijfeld naar het lijk (ad cadaverem) geschetst, maar uiteindelijk vaak geschilderd alsof ze naar het leven (ad viverum) zijn getekend. Aan het ad cadaverum ontleent de tentoontstelling zijn naam. De titel verwijst niet naar de reis die u naar Teylers moet ondernemen.

Naar het lijk is voor Teylers Museum een ongewone tentoonstelling. De collectie van Teylers is immers rond een verzameling wetenschappelijke instrumenten en negentiende eeuwse kunst gebouwd. De expositie kwam voort uit een hobby van hoofd presentatie Bert Sliggers. Bij de voorbereiding van een tentoonstelling over portretten en foto's van honderdjarigen die hij acht jaar geleden maakte merkte hij de doodsportretten voor het eerst op. Er bleken meer mensen in Nederland mee bezig. Na enkele jaren inventariseren ontstond Naar het lijk, waar geen werk uit Teylers' eigen collectie hangt.

In de catalogus worden de grote gebeeldhouwde grafmonumenten wel behandeld. Op de tentoonstelling zijn ze afwezig. Hijskranen zijn aan de inrichting dus niet te pas gekomen. Wel hangen er schilderijen van overleden geestelijken, vooral van katholieken. Ze stammen veelal uit de periode van 1625 tot 1750, toen katholieken zich met schuilkerken moesten behelpen, waar geen begraafplaats bij was en waar geen grafmonument van een overleden prelaat kon worden geplaatst. Dan maar een schilderij van zo'n niet bestaand praalgraf, moeten ze hebben gedacht.

Na 1700 wordt het doodsportret zeldzaam. De kunsthistorici hebben daar een aantal redenen voor bedacht. Er leven meer mensen en er gaan er op den duur dus ook meer dood. De begraafplaatsen worden te klein en de in de kerk begraven lijken stinken. Nieuwe begraafplaatsen liggen buiten het stadscentrum. De langzaam toenemende kennis over de verspreiding van infectieziekten zorgt ervoor dat de overheid lijken aan het dagelijks leven onttrekt. De toenemende kennis over ziekten betekent ook het einde van de berustende aanvaarding van de dood. De dood wordt menselijk falen, zeker bij een kind dat sterft. En het resultaat hang je dus niet meer in de huiskamer.

Na 1850 bloeit in de Romantiek, de beleving van persoonlijk leed en de erkenning van grote persoonlijkheden een nieuwe traditie van het afbeelden van doden op. Meestal tekenen kunstenaars overleden vrienden of familieleden. Aat Veldhoen tekende zijn moeder en hij maakte het doodsportret van Carel Willink. Naast tekeningen en schilderijen wordt het dodenmasker populair, ongetwijfeld omdat het in de klassieke oudheid vaak werd vervaardigd.

Schrijvers

Het oudste overgebleven doodsmasker van een Nederlandse burger is dat van Willem Bilderdijk. Ook van de schrijvers, schilders en politici Tollens, Elsschot, Vestdijk, Carel en Mathilde Willink, Han van Meegeren, Herman Wiardi Beckman (van de stichting) en Abraham Kuyper zijn dodenmaskers bekend. Vaak werd van kunstenaars ook een hand afgegoten. Vestdijks schrijvende hand ligt bijvoorbeeld op de tentoonstelling in Teylers, in twee vitrines vol dodenmaskers.

Tekeningen en schilderijen werden ongetwijfeld ook zeldzamer door de opkomst van de fotografie. Een wand vol dodenfoto's op de tentoonstelling toont dat foto's soms als nadeel hebben dat de dode niet mooier kan worden gemaakt dan hij is. Maar ook dat kan ontroerende prenten opleveren, zoals de foto (door een onbekende fotograaf) van het uitgeteerde gezicht van de overleden Willem Kloos, omringd door witte lelies.

Hoewel in de negentiende eeuw de dood steeds meer in de taboesfeer kwam, zijn er in de tijd van de fotografie waarschijnlijk meer afbeeldingen van doden vervaardigd dan ooit tevoren. Maar ze worden goed opgeborgen voor privégebruik en komen vaak niet eens in de fotoalbums terecht. Het in 1911 genomen fotootje - op het tentoonstellingsaffiche en de catalogusomslag groter afgebeeld dan ooit tevoren - van de tweeling Leonardus en Petrus Migchels, stijf naast elkaar in hun kistje, bloemen rond het hoofd, bidprentje op hun lichaampjes, houdt precies het midden tussen documentaire en kunst, tussen drama en berusting die ook de meeste oudere doodsportretten kenmerkt.